Publicaties

maatschappij

2C-Nederland-brugfunctie-Ellen Kooi_Nieuwkoop-sluis-verkleind
maatschappij Jo Tollebeek
19 min leestijd

Het einde van het oliemannetje

Moderne natiestaten scheppen beelden van zichzelf. Opiniemakers discussiëren over het wezen van de nationale cultuur. Hoe voltrok dat proces zich in Nederland?

Makser
geschiedenis Kiza Magendane
13 min leestijd

Het compromismuseum

Zijn de renovatie en dekolonisatie van het AfricaMuseum gelukt? Kiza Magendane bezocht Tervuren met gemengde gevoelens.

Voor abonnees
maatschappij

Van mijnstreek naar Parkstad. Kan Jo Coenen Zuid-Limburg redden?

Onderbanken, Brunssum, Nuth, Landgraaf, Kerkrade, Voerendaal, Simpelveld en Heerlen: voor 1998 stonden deze acht gemeenten bekend als de Oostelijke Mijnstreek, maar sinds eind vorige eeuw gaat deze streek in Nederlands Zuid-Limburg door het leven als Parkstad Limburg. Die naamsverandering is kenmerkend voor de transitie die de regio heeft doorgemaakt: van mijnstreek naar groene regio met internationale verbindingen.

Toen in de jaren 1970 de kruitdampen als gevolg van de mijnsluitingen waren opgetrokken, bleek de regio met enorme problemen te kampen: er waren te weinig duurzame nieuwe banen geschapen om de werkloosheid in te dammen. Een uittocht van hoogopgeleiden volgde; een regio met een krimpende en vergrijzende bevolking bleef achter.

Na een periode van elkaar snel opvolgende toekomstvisies, herstructurerings- en beleidsplannen is er nu een herkansing voor Parkstad: de van oorsprong Duitse ontwerpstrategie IBA (Internationale Bauausstellung; “internationale bouwtentoonstelling”) moet de hele regio doen opleven. Voorgaande IBA’s in Duitsland resulteerden in succesverhalen; de IBA gaf er een boost aan regio’s die met diverse problemen kampten. Toch schuilt er ook een gevaar in Parkstad. Grijpt Zuid-Limburg deze “laatste kans” – dixit Jo Coenen, curator en directeur van IBA Parkstad – wel met beide handen aan? Gaat IBA Parkstad de regio redden?

Voor abonnees
maatschappij

Hoe burgers de moraal van de vrije markt bevechten. Fair trade in Nederland

Daar sta je dan met je goede bedoelingen in de supermarkt. Op zoek naar een pakje “eerlijke koffie” moet ik kiezen tussen koffie met een fair-tradelabel, een UTZ-label (voor duurzame landbouw) of een product van de importeur Fair Trade Original. Ik begin te twijfelen. Heeft het eigenlijk wel zin om fair-trade-artikelen te kopen? Wat kan ik als individuele consument bijdragen aan eerlijke wereldhandel? Misschien kan ik maar beter op de prijs letten tijdens het boodschappen doen en geld aan goede doelen doneren. En als ik toch “eerlijke waar” wil kopen, kan ik dan niet beter omlopen naar een alternatieve winkel? Trouwens, is het niet minstens zo belangrijk om dubieuze producten te boycotten?

Wie probeert zijn idealen naar het alledaagse leven te vertalen, komt keer op keer in zo’n pijnlijke spagaat terecht. Is het beter om compromisloos in de marge actief te zijn, of mag er water bij de wijn als het doel daar op lange termijn mee gediend wordt?

Wat we tegenwoordig als “fair trade” kennen, gaat terug tot de jaren zestig van de vorige eeuw. In het Zuiden en in het Noorden beschouwden mensen de verdeling van welvaart als een probleem op wereldschaal, waar ze zelf iets aan konden doen. Dat deden ze door “eerlijke” producten te verkopen, maar voorstanders van eerlijke handel keken verder dan alledaags koopgedrag. Ze probeerden het publiek te informeren, boycotacties te organiseren en de politiek onder druk te zetten. Hun mondiale perspectief bleek niet op zichzelf te kunnen staan: het streven naar rechtvaardigheid op wereldschaal had ook implicaties voor hun optreden in plaatselijke, landelijke en Europese verbanden.

Voor abonnees
maatschappij

POSTKOLONIALE MATURITEIT? Hoe België omgaat met koloniale straatnamen en standbeelden

De indruk bestaat dat België, en zeker Vlaanderen, vandaag op een volwassen manier met zijn koloniale verleden omgaat. Vroeger was er vooral stilzwijgen of nostalgie, en rond de eeuwwisseling leidden de boeken van Adam Hochschild over de genocide onder Leopold II en van Ludo De Witte over de moord op Lumumba tot hevige en emotionele debatten. Tegenwoordig kan men echter probleemloos kritiek geven. En steeds vaker brengt die zaken in beweging. In december 2015 werden sommige eerbetuigingen afgelast naar aanleiding van de honderdvijftigste verjaardag van de troonsbestijging van de tweede vorst van België. En het vernieuwde Afrikamuseum van Tervuren dat in 2017 zal opengaan, belooft de taboes niet uit de weg te gaan.

Toch is die postkoloniale maturiteit slechts schijn. België staat nog niet zo ver in de verwerking van zijn koloniale geschiedenis als wij denken. Zeker Vlaanderen luistert nog steeds alleen naar zichzelf: niet één Congolese historicus is ooit naar het Nederlands vertaald. Het heeft ook weinig oor voor tegenstemmen.

Ook de publieke ruimte getuigt van navelstaarderij en is nog diep doordrongen van oude koloniale propaganda. Ons land wemelt van standbeelden en straatnamen die waren opgericht om de activiteiten in Congo te legitimeren en te verheerlijken.

In andere landen wordt de publieke ruimte vaker bijgestuurd. Uiteraard voerden onze buurlanden zulke veranderingen niet altijd en overal even enthousiast door en bleven veel andere monumenten ongewijzigd.

Toch is het opvallend dat België amper stilstaat bij zijn voormalige koloniale propaganda. Geen enkele koloniale straat heeft al een nieuw naam gekregen en niet één koloniaal monument is al verwijderd of omgevormd.

België heeft ook nog geen enkel standbeeld voor Congolezen. Het richt nog nieuwe gedenktekens op, maar die blijven alleen de kolonisator huldigen.

België heeft dus een zeer eenzijdige kijk op het koloniale verleden. Zijn publieke ruimte wordt nog steeds bepaald door één dominant verhaal. Dat is blank en toont zich onverschillig voor alle wandaden van de koloniale overheerser. Verschillende elementen kunnen deze situatie verklaren.

"

Voor abonnees
maatschappij

“TIJDVERLIES KAN OOK NUTTIG ZIJN”. Rik Torfs en Vincent Icke over de toekomst van de universiteit

Dit is het tiende dubbelinterview van Ons Erfdeel, en het vierde in samenwerking met deBuren. Een overzicht van de eerdere tweegesprekken staat hier: www.onserfdeel.be/dubbelinterview. KU Leuven-rector Rik Torfs en Vincent Icke (professor aan de Universiteit Leiden) gingen op 4 maart 2016 met elkaar in debat bij deBuren in Brussel, onder leiding van journalist Casper Thomas. Literatuurwetenschapper en poëziecritica Kila van der Starre reflecteerde op het gesprek. Pieter Coupé schreef het artikel uit.

25 februari 2015: het Maagdenhuis, de bestuurszetel van de Universiteit van Amsterdam (UvA), wordt bezet door studenten die diep ontevreden zijn over de koers van hun universiteit. Hun klacht: de UvA is een bedrijf geworden waar alleen de taal van de markt te horen is. Wetenschappers sluiten zich aan bij de protestbeweging, die zich verspreidt naar andere Nederlandse universiteiten.

De onvrede sluimert echter al langer, in Vlaanderen en Nederland, maar ook wereldwijd. Overal zijn universiteiten in beweging, wordt er druk gedebatteerd over zeer uiteenlopende thema’s: universiteiten die naar de beurs gaan, hogere inschrijfgelden, het allesoverheersende rendementsdenken. Wat moet de verhouding zijn tussen de “zachte” kennis van de alfa’s en de “harde” wetenschap van de bèta’s? Wie bepaalt de agenda van de universiteit: zijzelf, de maatschappij, het bedrijfsleven? Staan economisering en marktdenken niet haaks op de onafhankelijkheid van een universiteit? Wat met de publicatiedruk? Hoe zit het met de drie kerntaken: onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening?

Maar de essentie in al die turbulentie is eigenlijk heel eenvoudig: waartoe is de universiteit op aarde? Die vraag hebben wij, het culturele tijdschrift Ons Erfdeel en het Vlaams-Nederlands Huis deBuren, voorgelegd aan Rik Torfs, rector van de KU Leuven, en Vincent Icke, hoogleraar theoretische sterrenkunde in Leiden en bijzonder hoogleraar kosmologie in Amsterdam. Een alfa versus een bèta, een Vlaming tegenover een Nederlander. Beiden bezitten de gave van het woord, staan bekend om hun originele en soms scherpe standpunten, en zijn dan ook graag geziene gasten in de media.

Hoe moeten we de universiteit organiseren? En welke toekomst is voor haar weggelegd? Die vragen tracht ook Casper Thomas, redacteur bij het weekblad De Groene Amsterdammer, te beantwoorden in zijn boek Competente rebellen. Hoe de universiteit in opstand kwam tegen het marktdenken (Amsterdam University Press, 2015). Dat maakt hem de geschikte persoon om een gesprek tussen Rik Torfs en Vincent Icke in goede banen te leiden.

Alvast een paar citaten:

Vincent Icke:

De kwantificering van de academie werkt versmallend en verschralend en is radicaal tegenovergesteld aan het soort intelligente lef dat je nodig hebt aan een universiteit.

Rik Torfs:

Wij moeten ons meer verweren tegen het modedenken bij politici dan tegen de publieke opinie

Vincent Icke:

Wij zijn er niet om het broodje shoarma van de toekomst neer te zetten. Wij zijn er om de wetenschap van de toekomst te bedenken.

Rik Torfs:

In de bedrijfswereld heerst een mentaliteit die niet zoveel verschilt van de wetenschap: ook bedrijven zoeken het onzekere op en nemen risico’s

Vincent Icke:

Ik zou nooit afgestudeerd zijn als de maatschappij mijn studiebeurs niet had betaald. Dat krijgt ze driedubbel terug

Rik Torfs:

Louter kennis vergaren is niet genoeg. Ook een tandarts moet, terwijl een patiënt hem met open mond zwijgend aanstaart, diepzinnige gedachten kunnen koesteren

Kila van der Starre:

Toen ik begon aan mijn PhD aan de Universiteit Utrecht voelde ik me iedere ochtend jarig. Die nieuwsgierige, enthousiaste wetenschapper ben ik nog steeds, maar wel met een sceptisch-realistisch randje.

Rik Torfs:

Iedereen aan de universiteit op een rücksichtslose manier gelijk behandelen, dat is juist het toppunt van ongelijke behandeling, want zo ontken je de eigen aard van mensen en hun verschillende vormen van creativiteit.

"

Voor abonnees
taal

DE GOEDMENS, DE BOVENMENS EN HET IRONISCH FRAMEN. Waarom het moderne debat vaak zo ingewikkeld is

Een paar jaar geleden was de wereld nog overzichtelijk: goedmensen waren slecht. In Nederland en Vlaanderen was het mopperen op deze verdorven figuur niet van de lucht. Goedmens is een leenvertaling van het Duitse Gutmensch. Het doet een beetje denken aan de smalende manier waarop Friedrich Nietzsche over gute Menschen sprak – als mensen die zich hadden onderworpen aan de laffe christelijke moraal van het toekeren van je andere wang, en zo niet durfden te streven naar het grootse. Ook in het Nederlandse gebruik klonk iets dergelijks smalends: goedmensen zijn niet goed omdat ze zo’n nobele inborst hebben, maar omdat ze bang zijn – bang om de waarheid te zeggen, bang om die waarheid zelfs in te zien en bang voor de sociale druk van de medegoedmens.

Voor Nietzsche stond daar iemand tegenover: de bovenmens of, met een beladener Duitse term, de Übermensch, die de filosoof Hans Schnitzler in 2011 in een essay over de goedmens en de bovenmens karakteriseerde als “een aristocraat, een heerser, eentje die zelf waarden schept, een roofdier met een sterk, nietsontziend karakter, voornaam en afstandelijk, maar bovenal: vrij van rancune”.

Inmiddels is er een nieuwe betekenislaag toegevoegd. Het woord goedmens wordt nu door sommigen als een geuzennaam gebruikt. Opmerkelijk daarbij is dat een geuzennaam oorspronkelijk een naam was die iets negatiefs aanduidde: een gueux was een bedelaar, maar de geuzen trokken zich niets van die negatieve connotaties aan en vormden de betekenis om tot iets wat gunstig was. Dat is een vorm van ironie: je draait de betekenis 180 graden.

In het geval van goedmens heeft het woord oorspronkelijk niet meteen evident negatieve connotaties. Het werd door de oorspronkelijke gebruikers al vooral ironisch bedoeld: die mensen vinden zich reuze goed, maar ondertussen zitten ze helemaal verkeerd. Door zo’n ironische naam als “geuzennaam” te gebruiken, is de oorspronkelijke betekenis 360 graden gedraaid. We zijn weer terug bij af.

Dat is, geloof ik, een van de kernproblemen van het moderne debat in een notendop. Allerlei partijen proberen de discussie te kleuren door woorden een eigen interpretatie te geven en op een ironische manier te draaien. Allerlei technieken om het debat naar je eigen hand te zetten zijn de afgelopen twintig jaar gemeengoed geworden en daarmee, en door de eigenaardige manier waarop het internet werkt, eigenlijk dolgedraaid.

Twee van die technieken wil ik in wat meer detail bespreken: framing en ironie. Ze zijn allebei oud, maar ze zijn op verschillende manieren op een nieuwe manier de discussie binnengekomen – framing uit een Amerikaanse stroming in de sociale wetenschappen, ironie uit de Europese literaire traditie. Samen zorgen ze ervoor dat moderne debatten al heel snel uiterst ingewikkeld worden.

"

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be