Publicaties
Reeks

Schrijvers die nog maar namen lijken

In deze reeks buigen jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers zich over schrijvers van wie de naam nog altijd bekend in de oren klinkt. Er zijn prijzen, straten of pleinen naar hen vernoemd. Maar wie leest hun boeken nog? En wat hebben die ons vandaag nog te vertellen?

Voor abonnees
literatuur

Schrijvers die nog maar namen lijken. Het onvoorstelbare thema van Herman Teirlinck

In de reeks Schrijvers die nog maar namen lijken buigen jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers zich over twintigste-eeuwse schrijvers van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of ze nog wel worden gelezen. Bart Van der Straeten vertelt hoe hij Herman Teirlinck op het spoor kwam en leest een oeuvre dat op verschillende manieren één groot onderliggend thema lijkt uit te beelden. Het is de verhulling van de waarheid die ons met elkaar verbindt en die wij in elkaar herkennen.

Voor abonnees

Schrijvers die nog maar namen lijken. Het ‘verstandelijk proza’ van August Vermeylen

In de reeks Schrijvers die nog maar namen lijken buigen jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers zich over twintigste-eeuwse schrijvers van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of ze nog wel worden gelezen. Ruben Mantels haalde de twee romans van August Vermeylen uit de kast. Kunnen De wandelende Jood en Twee vrienden vandaag opnieuw gelezen worden, zonder dat je een halve literatuurhistoricus hoeft te zijn?

Voor abonnees
literatuur

Schrijvers die nog maar namen lijken. Brandkast Bordewijk

In de reeks Schrijvers die nog maar namen lijken buigen jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers zich over twintigste-eeuwse schrijvers van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of ze nog wel worden gelezen. Koen Rymenants verdiepte zich in Bordewijk, die van een baksteen een hele straat kon maken. Hij heeft de reputatie een karige schrijver te zijn, maar wie wat verder leest, wordt vooral getroffen door een grote overvloed op alle niveaus.

Voor abonnees
literatuur

Schrijvers die nog maar namen lijken. Elias, of het gevecht met Maurice Gilliams

Maurice Gilliams is natuurlijk morsdood. Veel andere winnaars van de Prijs der Nederlandse Letteren zijn dat óók, maar toch minder dan hij. Zijn boeken worden, zeker in Nederland, op middelbare scholen niet of nauwelijks meer gelezen (hooguit door de leraren), ze zijn alleen nog antiquarisch verkrijgbaar, staan in het immense IJ-paleis dat de Openbare Bibliotheek in Amsterdam heet niet eens op de plank (het Verzameld Werk is er op aanvraag in te zien) en in interviews met of essays van andere schrijvers valt zijn naam nauwelijks nog. Toen ik een schrijvende, veel lezende oudere vriend vertelde dat ik bezig was met een stuk over Maurice Gilliams, draaiden zijn ogen zich achter in zijn schedel, op zoek naar dat ene verre laatje waarin nog wat middelbareschoolstampwerk over de auteur was opgeborgen. Nadat het piepend was opengetrokken, merkte hij op dat hij dat Gilliams toch “uh” niet “uh” de “uh” eerste de beste “uh” was. Hij zei dat, maar alleen omdat hij een beleefd mens is, die het wel laat om te zeggen dat iemand niet goed bij zijn hoofd is dat hij zich daar nog mee bezighoudt.

Ik zei dat ik met een stuk over Gilliams bezig was, maar ik was het niet. Hij stond al wel enige tijd onaangeroerd bij me in de kast, en zijn zachte, vriendelijke gezicht (keek hij nou verlegen van me weg?) deed ook al geen buitengewoon appel op me om met lezen aan te vangen. (Ik kan me de eerste confrontatie met de beeltenis van Willem Frederik Hermans, op de achterflap van een cadeau gekregen Onder professoren nog herinneren: hij keek me strak en autoritair aan, waarmee hij leek uit te drukken dat iedere dag dat ik hem nog langer negeerde een dag van domheid was.)

Waarom schreef ik, waarom zou ik schrijven over Gilliams? Die vraag is eenvoudig te beantwoorden: ik kreeg een verzoek van dit tijdschrift.

Voor abonnees
literatuur

SCHRIJVERS DIE NOG MAAR NAMEN LIJKEN. Het soepele spel met waarheid en verbeelding van Johan Daisne

In de reeks Schrijvers die nog maar namen lijken buigen jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers zich over twintigste-eeuwse schrijvers van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of ze nog wel worden gelezen. Michiel Leen dook in de boeken van Johan Daisne. Valt dat omvangrijke oeuvre vandaag nog af te stoffen? Of is hij de Tom Lanoye van zijn tijd – een nadrukkelijk andere tijd?

"

Voor abonnees
literatuur

SCHRIJVERS DIE NOG MAAR NAMEN LIJKEN. Het verstilde universum van A. Alberts

Dit is de eerste aflevering van de reeks Schrijvers die nog maar namen lijken. Daarvoor hebben we aan jonge auteurs, literatuurcritici en -wetenschappers gevraagd om zich te buigen over twintigste-eeuwse schrijvers van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of hun boeken nog worden gelezen. Op die manier willen we een onbevangen blik werpen op oeuvres die zijn vergeten of in de tijd dreigen weg te glijden. We hopen dat de confrontatie van vers bloed met het verleden van de Nederlandstalige literatuur frisse inzichten kan aanreiken.

Thomas Heerma van Voss schrijft over Alberts:

Dat is de kracht van Alberts’ proza: de strakke, gekortwiekte toon nodigt uit almaar verder te lezen, en tegelijk suggereert hij met die zakelijkheid een complete achterliggende wereld (…) Het resulteert in een krachtig, consistent oeuvre, dat bestaat uit een omvangrijke hoeveelheid verhalenbundels, romans, memoires en essays. Het fictiewerk is daarvan vandaag de dag het meest interessant, zeker de verhalen die niet te duidelijk in een historische periode geworteld zijn. (…) En toch had ik tot voor kort nooit van A. Alberts gehoord. Zijn naam viel niet tijdens mijn middelbareschooltijd, zijn boeken werden niet aangeraden door anderen, en tijdens mijn vier jaar tellende studie Nederlandse Taal & Cultuur in Amsterdam sprak niemand over hem. (…) Hoe kan het dat zo’n interessant oeuvre, bovendien in 1975 bekroond met de Constantijn Huygensprijs en in 1995 met de P.C. Hooftprijs, zo zelden genoemd wordt?

"

Voor abonnees
literatuur

SCHRIJVERS DIE NOG MAAR NAMEN LIJKEN. De vette boeken van Gerard Walschap

Dit is deel twee van de Ons Erfdeel-reeks Schrijvers die nog maar namen lijken, waarin we jonge auteurs, literatuurwetenschappers en -critici vragen om zich te buigen over twintigste-eeuwse auteurs van wie de naam wel breed bekend is, maar van wie men zich kan afvragen of hun boeken nog worden gelezen. Op die manier willen we een onbevangen blik werpen op oeuvres die in de tijd dreigen weg te glijden. We hopen dat de confrontatie van vers bloed met het verleden van de Nederlandstalige literatuur frisse inzichten kan aanreiken.

Matthijs de Ridder buigt zich over de “vette boeken” van Gerard Walschap.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.