Deel artikel

Lees de hele reeks
de franse nederlanden, taal

Zichtbaarheid volstaat niet om regionale talen te revitaliseren

24 februari 2025 5 min. leestijd De Franse Nederlanden

Hoe vermijd je dat wetenschappelijk onderzoek leidt tot een ‘folklorisering’ van regionale talen? Welke plaats hebben die talen in het onderwijs? En moeten er tweetalige straatnaambordjes komen? Zulke vragen stonden centraal op een bijeenkomst in Arras met bijzondere aandacht voor het Vlaams in Frankrijk.

Het onderzoeksprogramma FLOVIRE (Le Flamand occidental: vers une visibilité renouvelée?) organiseerde in december 2024 een colloquium aan de Universiteit van Artois met als thema: het keerpunt van regionale talen, tussen erfgoed en renaissance.

FLOVIRE maakt deel uit van het Anamorphoses-programma dat zich richt op het zichtbaar maken en herdefiniëren van “onzichtbaar of vergeten” erfgoed. Het multidisciplinaire initiatief onderzoekt erfgoed niet alleen als cultureel, maar ook als politiek en economisch fenomeen. Het centrale thema van het colloquium in Arras was de zichtbaarheid, het gebruik en de impact van erkenning van regionale talen, met een focus op het Vlaams in Frankrijk.

Definities en identiteiten

Wat maakt een taal een regionale taal? Dat was één van de aspecten die tijdens het colloquium meermaals aan bod kwamen. Jean-Michel Eloy besprak in zijn openingsrede hoe historische talen constructies zijn. Aan de hand van het Picardisch illustreerde hij hoe terminologie de perceptie van een taal beïnvloedt. Waar het Picardisch lange tijd werd aangeduid als patois, een term met negatieve connotaties, is er nu een beweging richting een positievere connotatie. Het debat over terminologie is volgens hem ook voor andere regionale talen cruciaal, omdat de naamgeving van een taal niet alleen sociale en politieke gevolgen heeft, maar ook invloed heeft op hoe ze wordt waargenomen door de gemeenschap en de beleidsmakers.

Zelf belichtte ik de classificatie van het Frans-Vlaams binnen het bredere Nederlandse dialectlandschap en hoe politieke en taalkundige overtuigingen niet altijd overlappen. Organisator Jan Goes breidde die discussie uit door zich te richten op de meervoudige betekenissen van termen als “Vlaams” en de daarmee gepaard gaande politieke en sociale implicaties.

Didier Samain en Evelyne Ledoux-Beaugrand sloten daarop aan met een presentatie over het Nederlands in het noorden van Frankrijk. Zij toonden het eerste ruwe beeldmateriaal van de documentaire die de lage landen en het Huis van het Nederlands in Belle in het voorjaar van 2025 presenteren. Verschillende actoren op het terrein beantwoorden daarin vragen als: “Wie houdt de taalvarianten levend?” en “Wat is de toekomst van het Nederlands in de Hauts-de-France?”. Het beeldmateriaal toont dat het antwoord op die vragen niet alleen historisch, maar ook sociaal en politiek beladen is.

Zichtbaarheid in de publieke ruimte

Organisator Bernard Reitel presenteerde onderzoek naar de zichtbaarheid en aanwezigheid van Frans-Vlaams in de openbare ruimte in Noord-Frankrijk. Zijn lezing richtte zich op de resémantisation van de openbare ruimte door middel van Vlaamse bewegwijzering en straatnaamborden. Reitel stelde dat de zichtbaarheid van Frans-Vlaams vaak afhankelijk is van lokale initiatieven en motivaties, zoals erfgoedbehoud, toerisme, en activisme.

Het Oui au Flamand-project, dat gemeenten aanmoedigt om Vlaamse bewegwijzering te plaatsen, toont hoe lokale overheden bijdragen aan de promotie van de taal, al verschilt de implementatie ervan erg naargelang de gemeente. Bovendien geeft Reitel aan dat visuele elementen in het straatbeeld niet noodzakelijk weerspiegeld worden in een verhoogd gebruik van de taal. Zichtbaarheid alleen is dus niet voldoende is om een taal te revitaliseren, ook dagelijks gebruik is essentieel. Bovendien blijft het onduidelijk of en hoe dergelijke initiatieven inwoners en bezoekers al dan niet beïnvloeden. Reitel concludeert dat verder onderzoek noodzakelijk is om de langetermijneffecten van de revitaliseringsinspanningen op het taallandschap van de regio te begrijpen.

Kans of risico?

Een ander centraal thema was patrimonialisering, een proces waarbij een taal wordt erkend en gewaardeerd als cultureel erfgoed van een gemeenschap. Dat proces kan leiden tot revitalisatie-inspanningen, zoals taaldocumentatie, onderwijsprogramma’s en bewustmakingscampagnes, maar het kan ook een “fossiliserend” effect hebben waarbij een taal wordt ervaren als een museumartefact in plaats van als een levend communicatiemiddel.

Christian-Pierre Ghillebaert gelooft dat het patrimonialiseringsproces van het Frans-Vlaams wordt gekenmerkt door “folklorisering”: een reducering van de taal tot een statisch erfgoedobject, waarbij de hedendaagse waarde als communicatiemiddel wordt genegeerd. Hij koppelde daarbij terug naar het thema van zichtbaarheid als een effectief middel om de historische marginalisering van de taal tegen te gaan. Dat betekent volgens hem niet alleen dat onderzoek naar de taal toegankelijk gemaakt moet worden, maar ook dat de taal vaker in culturele producten en alledaagse interacties geïntegreerd moet worden. Door de taal te positioneren als een actuele realiteit in plaats van een overblijfsel uit het verleden, kan een bredere erkenning worden bereikt van haar waarde als een levend cultureel erfgoed.

Volgens Christian-Pierre Ghillebaert moet het Frans-Vlaams vaker in culturele producten en alledaagse interacties geïntegreerd worden

Ikzelf toonde dan weer aan dat de studie van de historische aspecten van regionale talen ook verrijkend kan zijn voor de gemeenschap en niet-noodzakelijk tot fossilisatie van de taal hoeft te leiden. Uit mijn taalkundige onderzoek presenteerde ik een aantal onderzoeksbevindingen die aantonen dat Frans-Vlaams een unieke combinatie vertoont van archaïsche elementen, nieuwe eigen ontwikkelingen, en invloeden van het Frans als gevolg van taalcontact. Mijn presentatie was gewijd aan het wetenschappelijk belang van het onderzoek naar regionale talen zoals het Frans-Vlaams: die talen vormen de sleutel tot een dieper begrip van linguïstische diversiteit vandaag en in het verleden. Ook opent dergelijk onderzoek heel wat mogelijkheden, bijvoorbeeld op het vlak van taaltechnologie die gevoelig is voor en kan omgaan met die diversiteit.

Onderwijs en overdracht

Tijdens het colloquium kwam de rol van onderwijs in de overdracht en revitalisering van regionale talen uitgebreid aan bod. Een grotere zichtbaarheid en de opname van Frans-Vlaams in het onderwijs kunnen volgens Ghillebaert bijdragen aan de duurzame vitaliteit van de taal, zolang het gepaard gaat met initiatieven die de taal actief gebruiken in plaats van louter te bewaren.

De opname van Frans-Vlaams in het onderwijs kan bijdragen aan de duurzame vitaliteit van de taal

Naast de theorie ging het ook over de praktijk: Elise Van Assche presenteerde het onderzoek naar attitudes tegenover Vlaams en Nederlands in Frans-Vlaanderen uit haar bachelor- en masterproef. Economische overwegingen blijken een grote rol te spelen in de keuze tussen Nederlands en regionaal Vlaams als onderwijstaal. Waar Nederlands als economisch nuttiger wordt gezien, wordt Vlaams geassocieerd met culturele identiteit. Haar bevindingen wijzen ook op de schaarse intergenerationele overdracht van Vlaams en de uitdagingen van taalpromotie in een door standaardtaal gedomineerde omgeving.

Naar een herwaardering van regionale talen

Het FLOVIRE-colloquium bracht de uitdagingen en mogelijkheden van regionale talen in Frankrijk in beeld. De presentaties belichten het belang van identiteitsvorming, zichtbaarheid, onderwijs en “patrimonialisering” voor het behoud en de revitalisering van regionale talen zoals het Frans-Vlaams. Tegelijkertijd schetsen ze de complexiteit van deze processen die beladen zijn met een mix van sociale, politieke en economische factoren.

Het colloquium toont de groeiende belangstelling voor minderheidstalen en nieuwe wettelijke initiatieven zoals de Franse wet-Molac van 2021, die een erkenning van regionale talen betekende. De inzichten die tijdens de bijeenkomst werden gedeeld, vormen een mooi kader voor verdere discussies en beleidsvorming rondom taalbehoud in Frankrijk en bieden hoop voor de toekomst van regionale talen.

Farasyn pasfoto

Melissa Farasyn

Melissa Farasyn is postdoctoraal onderzoeker van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO) aan de Universiteit Gent. Haar onderzoek betreft syntactische variatie en verandering in niet-gestandaardiseerde Germaanse variëteiten. In haar huidige onderzoeksproject richt ze zich vooral op het Frans-Vlaams.

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000002dc90000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)