Publicaties
‘Turks fruit’ lezen in #MeToo-tijden? Ja, maar met reserve
0 Reacties
Privé-archief Jan Wolkers
Privé-archief Jan Wolkers Privé-archief Jan Wolkers
literatuur

‘Turks fruit’ lezen in #MeToo-tijden? Ja, maar met reserve

Vijftig jaar geleden deed Jan Wolkers Nederland op zijn grondvesten daveren met de roman Turks fruit. Dankzij zijn expliciete erotische beschrijvingen stond het boek vanaf de jaren 1960 model voor de seksuele bevrijding van een hele generatie. Verdient de bestseller vandaag nog de status van taboedoorbrekende klassieker? En hoe moeten we de roman in deze #MeToo-tijden lezen? Aleid Truijens herlas Turks fruit met het schaamrood op de wangen.

Het boek was tóch beter. Vonden wij. Al moesten we toegeven, in 1973, dat de film Turks fruit geweldig was. Zeker voor een Néderlandse film. Paul Verhoevens verfilming van de roman van Jan Wolkers uit 1969 zou de succesvolste Nederlandse bioscoopfilm ooit worden.

De film speelde in ons eigen, hippe, ‘magiese’ Amsterdam. Hij ging over de vrijgevochten mensen die wij zelf hadden willen zijn, als we niet zo bleu en braaf waren geweest, en als we zulke goddelijke lijven hadden gehad als de piepjonge hoofdrolspelers Monique van de Ven en Rutger Hauer.

Een woest kunstenaarsbeest, lekker onburgerlijk, sleepte vrouwen naar zijn grot en voltrok zijn onverzadigbare wil aan hen. Ik ging er met mijn eerste vriendje heen, op mijn zestiende. Het was een inspirerende avond. Zo en niet anders moest je de liefde vieren.

Zo moest een roman zijn

Maar het was natuurlijk Wolkers die dit had bedacht, niet Verhoeven. Turks fruit was hét boek. Ons boek. Zo en niet anders moest een roman zijn. Grappig, rauw, brutaal, opwindend, smerig, wreed, agressief, lief en hartverscheurend. In Turks fruit stak je iets op over seks voordat je er zelf aan deed. Even had je ook deel aan het echte leven waarin mensen elkaar als gekken beminden en verrieden.

Het mooie was: de jonge leraar Nederlands in 4 gymnasium had ons het boek zelf aangeraden. Als dít literatuur was, dan was literatuur tof. De leraar prees ook Mulisch, Reve en Hermans, de grote Drie, maar hun boeken zeiden me toen nog niets. Er was maar één Grote Een. Hij was ook beeldhouwer. Hij had een gebeeldhouwde kop, als keizer Nero.

Later herlas ik Turks fruit regelmatig, bijvoorbeeld als ik voor de krant dagboeken van Wolkers besprak, en voor het laatst toen Het litteken van de dood verscheen, zijn biografie, door Onno Blom. Wolkers was volgens de biograaf minstens zo agressief en bezitterig als zijn hoofdpersonen. En ja, Turks fruit bleek grotendeels op werkelijkheid te berusten, al was de vrouw die model stond voor Olga, Annemarie Nauta, nooit aan een hersentumor bezweken (dat overkwam een andere vriendin).

Karikaturaal pornografisch

De herlezing was een verwarrende ervaring. Zo’n jaar of vijftien geleden, ruim vóór #MeToo, begreep ik al niet meer wat ik er ooit zo betoverend aan had gevonden. Wolkers’ seksscènes zijn bijna karikaturaal pornografisch. Ik las zinnen als: ‘Ik rukte ze de kleren van het lijf en ramde me een ongeluk’ en ‘Ik zag die stang van mij steeds tussen die twee reusachtige bolle blanke heuvels verdwijnen’.

Minnaressen die hij afwerkt na het vertrek van Olga beschrijft hij weerzinwekkend. Ze hebben ‘droge kutten met wratten van binnen’, of ‘van die grote schaamlippen, van die bruinige flappers, als de klapdeurtjes in een saloon’. Niettemin worden al deze vrouwen ‘vastgestoken’, want hij moet ergens heen met zijn verdriet.

‘Turks fruit’ herlezen is vooral een confrontatie met je eigen naïveteit van destijds

De beschrijvingen zijn zo seksistisch en kwetsend dat het pijn doet. En het wordt nog erger. Sommige bedgenotes zijn gratis werkster. Na gedane zaken dweilen ze de vloer en boenen ze de plee, vrouwenzaken waarvoor een kunstenaar geen tijd heeft. Soms moet hij ‘drie snottebellende kleuters’ voor lief nemen, ‘van een gescheiden vrouwtje’. Of hij kan pas toeslaan na het aanhoren van meisjes die ‘met een nat neusje in je borsthaar uithuilden omdat ze door hun vader verkracht waren toen ze vijftien waren’ – vermoeiend hoor, zulke huilebalkjes.

Turks fruit herlezen is vooral een confrontatie met je eigen naïveteit van destijds, en gebrek aan kritisch vermogen. Hoe is het mogelijk dat ik zulke beschrijvingen indertijd sterk vond en zwijmelde bij zo’n ploertige ik-figuur? Ik noemde mij vrijgevochten, feministisch zelfs. Hoe kon ik over zoveel vrouwenhaat hebben heengelezen?

Nu kun je zeggen dat de kwetsende beschrijvingen van vrouwen afkomstig zijn van een verlaten man die ziek is van verdriet en woede. De liefde tussen de ik-figuur en de aanbeden Olga herinnerde ik me als zeer liefdevol en hartverwarmend.

Maar ook dat viel bij herlezing tegen. Olga is vooral het object van stomende begeerte, wat zijzelf ervan vond blijft ongewis. We weten vooral dat ze heel schattig is, een kindvrouwtje. Ze slaapt met haar duim in haar mond en eet zo veel ijsjes dat ze ervan moet spugen. Voor het liefdesspel hoeft ze niet wakker te zijn. Gretig neemt haar man ’s nachts haar ‘willoze apathische lichaam’; hij denkt dat ze dan ‘verdoofd van geilheid’ is. Overdag doet Olga weinig anders dan in haar blote kont door zijn atelier kennen, als model. Ze werkt of studeert niet. Dat is nergens voor nodig.

Olga is vooral het object van begeerte, wat zijzelf vond blijft ongewis

Waarom Olga wegloopt weten we niet. Wel lezen we dat haar man haar meteen een mep verloopt als zij met een ander flirt. En dat hij, als hij bij haar ouders is om het Olga te praten, haar ‘s nachts overweldigt en als zij begint te gillen zijn mond op haar mond perst. Verkrachting noemen we dat, maar de ik-figuur meent dat zijn ex het heerlijk vindt.

Ook de metafoor waarop een groot deel van de plot drijft, vind ik nu goedkoop en meedogenloos. Het idee is dat de relatie is ‘vergiftigd’ door Olga’s moeder, een heks van een vrouw, die haar dochter aan een rijke man wil koppelen. Symbool voor die verdorvenheid is haar ziekte, borstkanker. Haar ‘kankerborst’ werd een gapend gat in haar lichaam. Eerst doordringt het gif Olga’s huwelijk, vervolgens haar hoofd. Susan Sontag heeft in Illness as Metaphor in 1978 scherp geanalyseerd hoe metaforen over kanker het denken over kankerpatiënten heeft beïnvloed, zij werden symbolen van het kwaad. Dat gebeurt in Turks fruit vanzelfsprekend.

Niemand ontkomt aan de normen, de mores en modes van zijn tijd

Natuurlijk, het zijn de veranderende tijden. Niemand ontkomt aan de normen, de mores en modes van zijn tijd. De vrijheid van weleer bleek achteraf soms machtswellust en gevangenschap, de vrijgevochtenheid van de één betekende de onderdrukking van de ander. Toch gaat het niet aan om Wolkers, de schrijver uit 1969 met wie mannen en vrouwen wegliepen, en met wie ze een wereldbeeld deelden, vijftig jaar later te beoordelen met de normen van nu, het tijdperk vlak na #MeToo.

Feminisme is nu pas volwassen

Is de geest van de sixties en seventies dan verwaaid? Is het eens zo vrijzinnige, ruimdenkende en tolerante Nederlands tegenwoordig preuts en behoudend geworden? Ik denk van niet. Veel verworvenheden uit die jaren koesteren we: we mogen ons eigen leven inrichten en de meesten van ons hoeven niet te gehoorzamen aan de eisen van kerk en gemeenschap. Maar het feminisme is nu pas volwassen geworden. Vrouwen zijn zelfbewuster dan hippie-meisjes als Olga. Ze accepteren niet meer dat ze op de manier worden bekeken en benaderd zoals de verteller in Turks fruit doet. Zo’n mannetjesdier wordt ook niet meer aantrekkelijk gevonden.

En wat is er overgebleven van mijn literaire jeugdheld? Toch wel iets. In elk geval een memorabel tijdsbeeld in zijn werk. Zijn ritmische, niets verhullende, bloemrijke, beeldende zinnen. Mooi vind ik ook hoe Wolkers tegenstrijdigheden verenigde. Hij paste naadloos in de jongerencultuur van de jaren zestig en zeventig maar tegelijk was hij iemand van vóór de Tweede Wereldoorlog: een beknotte jongen uit een gereformeerd milieu, die leed onder het gezag van een patriarch van een vader, én van een alziende, straffende God.

Wolkers sprak de taal van de hippe, protesterende jongeren maar óók de ‘tale Kanaäns’ klonk in zijn werk. Zijn ik-figuren zijn ogenschijnlijk onbekommerde kunstenaars, van god los en scheldend op het grootkapitaal. Maar ze zijn ook nog verkrampte jongens, doordrenkt met schuldbesef. Ze zijn wreed én teder, hebben een grote mond en een bang hart. Die tegenstelling ontroert. Daarom houd ik nog steeds van het werk van Jan Wolkers. Met enige reserve, dat wel.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be