Publicaties
Triomf van de literatuur. ‘De opgang’ van Stefan Hertmans
0 Reacties
recensie
literatuur

Triomf van de literatuur. ‘De opgang’ van Stefan Hertmans

In zijn roman over een Vlaamse collaborateur getuigt Stefan Hertmans van een sterk inlevingsvermogen in zeer uiteenlopende karakters. De opgang geeft een scherp beeld van het leven onder Duitse bezetting, dat Hertmans indringend weet te verbinden met de persoonlijke geschiedenis van zijn personages.

De nieuwe roman van Stefan Hertmans, De opgang, is, zeker voor een roman, rijk geïllustreerd. Kleine, soms vage fotootjes zijn het, portretten en groepsportretten, foto’s van brieven, officiële documenten, gebouwen, meubelstukken en dingen van allerlei aard die in het boek een rol spelen. Autonome zeggingskracht hebben ze meestal niet, de auteur zal (om kritiek als op Oorlog en terpentijn vóór te zijn) al zijn kaarten op tafel hebben willen leggen: voor wie mocht twijfelen aan de authenticiteit van mijn boek, ziehier, dit zijn mijn bronnen.

Maar dat boek is meer dan een documentaire roman. Op talloze, voor de romanschrijver vaak cruciale plekken laten zijn bronnen het afweten; dan moet de auteur, om door te dringen tot de meest dramatische dimensies van de onderzochte geschiedenis, een beroep doen op zijn verbeelding.

Het onuitgesprokene en het verborgene zijn inherent aan die geschiedenis: het gaat om clandestiene oorlogsactiviteiten, om de schaamte daarover, om verraad en ontrouw in politiek-morele zin én in het liefdes- en gezinsleven, alsook om het onvermogen eigen of andermans misstappen onder ogen te zien.

Daarbij getuigt Hertmans, niet voor het eerst, van een sterk inlevingsvermogen in zeer uiteenlopende karakters, precies het tegendeel van het door hem een paar maal geciteerde SS-gebod unempathisch te zijn – een geforceerde verblinding die het moorden en het latere “heldhaftige” zwijgen daarover mogelijk zou maken. In die zin mag De opgang een triomf van de literatuur worden genoemd.

Uitgangspunt is een biografisch feit. Hertmans kocht in de zomer van 1979 een oud huis in het Gentse Patershol. Daarbij maakt de dienstdoende notaris schijnbaar achteloos een paar opmerkingen over eerdere bewoners. “Het waren eigenlijk doodbrave mensen hoor”, hoewel er op de schoorsteen een buste stond “van ge weet wel, Den Dolf”, maar dat dringt blijkbaar niet tot de koper door.

https://www.youtube.com/embed/uuobwUvcS74

Pas ruim twintig jaar later, als hij een boek in handen krijgt getiteld Zoon van een “foute” Vlaming, beseft hij dat hij al die tijd in het huis van een voormalige SS’er heeft gewoond. De naam van de betreffende zoon, Adriaan Verhulst, zal hem er mede toe hebben aangezet zich in het leven van die foute-tussen-aanhalingstekens Vlaming te verdiepen – Hertmans had aan de universiteit nog geschiedenisles van hem gehad.

Die Vlaming, Adriaans vader Willem Verhulst, is niet een beetje fout, hij is het ondubbelzinnig en in hoge mate, zoals blijkt uit Hertmans’ recherche. De eerste belangwekkende gebeurtenis in het leven van kleine Willem – mogelijk een (deel van de) verklaring van zijn latere misdadige ontsporing – vindt plaats als hij vier is: op een dansavond in een “dansschool” van een oudere zus stort hij plotseling stuiptrekkend en met het schuim op de mond ter aarde; als hij bij kennis is gebracht ziet hij niks meer, één oog trekt later bij, het andere is blijvend blind. Hoewel hij daar veel last van heeft en er ook nog eens mee wordt gepest, heeft hij naar eigen zeggen tot zijn dertiende, als zijn moeder overlijdt, een gelukkige jeugd gehad.

Maar dan gaat het snel bergafwaarts. Onder invloed van August Borms wordt hij in 1917, negentien jaar oud en vanwege zijn oog afgekeurd voor de militaire dienst, een radicale aanhanger van de Vlaamse Beweging. Hij haat alles wat Frans is, steekt zijn afkeer van de Belgische staat en zijn warme “Groot-Germaanse sympathie voor de bezetter niet onder stoelen of banken” en vlucht na de Duitse capitulatie voor enige tijd naar Nederland.

Hertmans slaagt er met glans in de aandacht van de lezer gevangen te houden, dankzij de uitgekiende manier waarop hij vaak schokkende ontdekkingen arrangeert

Dat hij in 1940, als Gent kreunt onder de Duitse bezetting, de leiding krijgt van de “Gentse Radiodistributie”, een propagandazender van het zuiverste water, kan dan niet meer verbazen. Willems Werdegang volgt in hoofdlijnen de geschiedenis van de oorlog en is dus ook in hoofdlijnen voorspelbaar, ongetwijfeld een handicap voor de chroniqueur; niettemin slaagt die er met glans in de aandacht van de lezer gevangen te houden, en wel dankzij de uitgekiende manier waarop hij de talrijke, vaak schokkende ontdekkingen over Willems leven arrangeert.

Die ontdekkingen trekken een spoor van vernielingen door de levens van zijn naasten. Willem is getrouwd met een Nederlandse, streng gereformeerde vrouw, Mien, voor wie hij zijn duistere praktijken lang geheimhoudt. Zij moet niets hebben van het brallerige militarisme in haar omgeving, “haar jaagt elk uniform de daver op het lijf”. Intussen legt Willem ijverig en zonder een spoor van mededogen lijsten aan van alle volksvreemde, anti-Germaanse elementen, en is dus verantwoordelijk voor de brute moord op talloze stadsgenoten. Hertmans is op zijn sterkst als hij de broeierige, onuitgesproken spanning beschrijft tussen haar en Willem, later ook tussen Willem en zijn kinderen.

Zijn roman geeft niet alleen een scherp beeld van het alledaagse leven onder Duitse bezetting, in het bijzonder van de collaboratie en het verzet in Gent, hij weet die ook indringend te verbinden met de persoonlijke geschiedenis van zijn personages.

In september 1944 is Willem een van de 15.000 Vlaamse collaborateurs die – samen met Griet, zijn jarenlange minnares en ideologische geestverwant – naar Duitsland vluchten. Van spijt is geen sprake, hoogstens van zelfmedelijden. Bij een van de bombardementen van de RAF wordt hun tijdelijke onderkomen in Hannover geraakt, maar Griets geschreven verslag daarvan is “op het idyllische af”. Geen woord over de oorlogsgruwelen, ze “at smakelijk Steinpilze met Wim in een arcadische omgeving. (…) Het is alsof ze een vrolijke vakantie in herinnering brengt”.

De nageschiedenis blijkt algauw meer dan een plichtmatige epiloog

Eind ’45 wordt Willem gearresteerd. In ’46 wordt hij overgebracht naar een gevangenis in Vlaanderen. Voor de rechtbank wordt een “hoogst bezwarend document” van zijn hand voorgelezen waarin hij pleit voor de “radicale uitroeiing van alle centra van ontaarding en verbastering in Vlaanderen”. In ’47 krijgt hij de doodstraf, die wordt omgezet in levenslang, maar in ’53 wordt hij al vrijgelaten. Nog steeds: van spijt geen sprake. Zijn larmoyante “celbrieven” – Hertmans analyseert ze minutieus en genadeloos – zijn van een ongekende obsceniteit.

Even dacht ik dat het verhaal daarmee verteld was, dat Hertmans zijn boek wellicht beter op dit punt, op ongeveer driekwart van het boek, had kunnen beëindigen. Maar daar moest ik van terugkomen. De nageschiedenis bleek algauw meer dan een plichtmatige epiloog. De auteur komt zelf in beeld, onder meer als demonstrerende student in 1968. Hij schetst genuanceerde portretten van Willems kinderen: van zijn twee dochters, van wie er een, Letta, als tegenhanger van Adriaans boek over de “foute” vader, een eerbetoon schreef aan Mien, hun zo vaak vernederde, maar altijd waardige moeder. En natuurlijk ook van Adriaan, de trots van de familie, die het tot hoogleraar heeft geschopt en “een zowel gevreesde als gerespecteerde opponent [was] in alle openbare debatten over de Vlaamse gelijkberechtiging en cultuur”, maar door een immer jolige Godfried Bomans ironisch, en volstrekt ten onrechte, werd getypeerd “als een Vlaamse Bourgondiër die niet had misstaan op een schilderij van Bruegel”.

Ook bezorgt het toeval de auteur nog diverse verrassingen die niet onvermeld mochten blijven. Zo krijgt hij een feestboekje in handen dat in 1997 door het extreemrechtse Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) werd uitgegeven ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van Willems dubieuze, door wrok verteerde Griet. De door geen spat berouw of schuldbesef getekende laudatio voor haar blijkt van de hand van… Bart De Wever.

Opzienbarend is ook Hertmans’ ontdekking dat de buste van “Den Dolf”, in het boek een belangrijk motief, gemaakt blijkt te zijn door de vader van een goede vriend. De oorlog, zo maakt hij aldus op vaak aangrijpende wijze duidelijk, woekert ook lang na dato schrijnend voort in de levens van talloze nabestaanden.

Stefan Hertmans, De opgang, De Bezige Bij, Amsterdam, 2020, 440 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.