Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Toen het Nederlands een taal van handel en diplomatie was
1 Reacties
Het Nederlands en de wereld
taal

Toen het Nederlands een taal van handel en diplomatie was

Internationaal overleg gebeurt anno 2022 voornamelijk in het Engels, maar ooit speelde het Nederlands een belangrijke rol in handelsgesprekken en diplomatieke betrekkingen. Zo sloot Rusland in 1856 een verdrag met Japan dat in het Nederlands was opgesteld, fungeerde het Nederlands een tijdlang als een lingua franca rond de Oostzee en circuleerden er in het Perzische rijk Nederlandstalige handelsdocumenten.

Mensen uit de Lage Landen zijn altijd handelaars geweest, eerst in Europa en sinds de vroegmoderne tijd over de hele wereld. Ze deden ook aan diplomatie, en zo kwam er verbinding met andere delen van Europa en de wereld. Dat gebeurde vooral toen de Nederlandse Republiek zich losmaakte van de Spaanse Nederlanden, maar ook daarna. In welke mate gebruikten zij het Nederlands om met anderen te communiceren? En hanteerden anderstaligen het Nederlands ook als lingua franca in de handel en de diplomatie?

Antwoorden op die vragen vormen de basis van deze bijdrage. Die geeft geen volledig overzicht van het Nederlands als diplomatieke en handelstaal in de loop van de geschiedenis, maar verkent het gebruik van het Nederlands in deze activiteiten in vier regio’s: Groot-Brittannië, de Baltische staten, de moslimwereld en Japan.

Groot-Brittannië

Gezien hun geografische nabijheid is er in de loop der eeuwen veel handel gedreven tussen Groot-Brittannië en de Lage Landen. Er zijn berichten over zeelieden uit de twee gebieden die hun eigen “gemengde” maritieme taal of jargon ontwikkelden om met elkaar te communiceren. In die mengtaal kwamen veel Nederlandse nautische termen voor.

In de jaren 1600 voer de Nederlandse haringvloot elk jaar van de Shetlandeilanden naar de monding van de Theems, waar de vissers aan land gingen om de vis te verkopen, hun boten en netten te repareren en proviand in te slaan. Sommige Shetlanders leerden Nederlands om met de vissers te communiceren. In Great Yarmouth was er een Nederlandse kapel die deels diende om de vissers op zondag uit de kroegen te houden. Ook Engelse kooplieden leerden Nederlands. Twee voorbeelden uit de zeventiende eeuw zijn Sir John Elwill uit Devon en John Wallis uit de haven van King’s Lynn. In die tijd was er weinig gepubliceerd lesmateriaal, dus beide mannen hebben de taal wellicht geleerd van moedertaalsprekers en verbleven daartoe mogelijk een tijd in de Lage Landen.

Wat de diplomatie betreft, kreeg het Nederlands concurrentie van andere talen. In 1651 sprak de staatsman Jacob Cats het Engelse parlement toe in het Latijn. Ook het Frans speelde een belangrijke rol in de Nederlandse diplomatie. Maar af en toe konden Nederlanders toch hun eigen taal gebruiken in diplomatieke betrekkingen met Engeland. Zo richtte Cats zich in 1652 in het Nederlands, vermengd met Latijn, tot Milius, de agent van de graaf van Oldenburg (Nedersaksen).

Tijdens het bewind van Willem III – die tussen 1689 en 1702 over Engeland, Schotland en Ierland regeerde, waarvan de eerste vijf jaar als co-regent met zijn nicht Mary II – speelde het Nederlands uiteraard een prominente rol in de diplomatie met de Nederlandse Republiek. Willem zelf, die ook de Nederlandse stadhouder was, voelde zich nooit op zijn gemak in het Engels. Hij gebruikte het Nederlands of het Frans; de eerste taal in de correspondentie met de raadpensionaris, Anthonie Heinsius, en de tweede in brieven aan zijn favoriet: diplomaat en generaal Hans Willem Bentinck.

In 1698 nodigde Willem tsaar Peter de Grote uit om naar Engeland te komen. De tsaar had tijdens zijn verblijf in Holland geleerd over de Nederlandse scheepsbouw en sprak goed Nederlands. Hij had zelfs een Nederlandse handelsagent, Jan Lups. Willem detacheerde een Engelse viceadmiraal bij de tsaar, David Mitchell, omdat hij Nederlands sprak.

Sindsdien, en vooral sinds de Tweede Wereldoorlog, is Engels de eerste vreemde taal geworden die Nederlandse schoolkinderen leren. Handel en diplomatieke zaken tussen Nederland en Groot-Brittannië gebeuren dan ook in het Engels.

De Oostzee

De naam van Peter de Grote brengt ons bij de Oostzee. In de vroegmoderne tijd werkten veel Nederlandse zeelieden in deze wateren. Een gevolg daarvan was dat het Nederlands in de zeventiende en achttiende eeuw een language of wider communication (ook wel: lingua franca) in de regio werd. Zweedse vorsten, zoals koning Gustavus Adolfus en zijn dochter koningin Christina, kenden een beetje Nederlands. Gustavus heeft de taal mogelijk gesproken met zijn Nederlandse minnares, Margareta Cabiljau. Christina’s opvolger, Karel X Gustav, had een Engelse adviseur, George Ayscue, die af en toe zijn “dienstverlenende” Nederlands gebruikte. Diplomatieke correspondentie werd soms in het Nederlands geschreven en er was vraag naar Nederlandse leermiddelen en woordenboeken.

De belangrijke, in Antwerpen geboren koopman en medeoprichter van de West-Indische Compagnie Willem Usselincx onderhield veel contacten met Zweedse commerciële en politieke leiders. Hij en zijn collega’s schreven in het Nederlands aan de Zweedse kanselier, Axel Oxenstierna. De Zweedse vertegenwoordiger in de Nederlandse Republiek, Harald Appelboom, ontving correspondentie uit Londen in het Nederlands. Een van de inaugurele lezingen van de Koninklijke Academie van Åbo (toen in Zweden, nu in Finland) werd in het Nederlands gegeven.

Nederlands werd ook in het leger gebruikt. Tijdens vredesonderhandelingen tussen Rusland en Zweden in 1618 schreef de Engelsman John Merrick aan de veldmaarschalk van de Zweedse troepen in Rusland in het Nederlands. Gezien het belang van de taal in dit gebied, is het waarschijnlijk niet verrassend dat de Staten-Generaal hun brieven aan Hanze-steden ook in het Nederlands schreven.

Bij vredesonderhandelingen tussen Rusland en Zweden in 1618 schreef een Engelse bemiddelaar aan de Zweedse veldmaarschalk in het Nederlands

Dankzij Peter de Grotes intensieve studie en toe-eigening van Nederlandse scheepsbouwtechnieken en maritieme kennis, werden veel Nederlandse nautische woorden overgenomen in het Russisch en vervolgens in andere Slavische talen. Een voorbeeld is het Nederlandse woord matroos. Etymologe Nicoline van der Sijs schrijft dat dit woord in het Russisch is overgenomen als matros en later in het Oekraïens en het Wit-Russisch. Het werd zelfs overgenomen door andere contacttalen, waaronder het Oost-Jiddisch en het Azerbeidzjaans.

De moslimwereld

De Nederlanders ontwikkelden uitgebreide diplomatieke en handelsrelaties met de moslimwereld in de vroegmoderne periode. In het begin van de zeventiende eeuw kwamen diplomatieke betrekkingen tot stand tussen de Nederlandse Republiek en het Sultanaat van Marokko en het Ottomaanse Rijk, omdat zij in Spanje een gemeenschappelijke vijand hadden. Terwijl het Latijn en het Frans vaak werden gebruikt in diplomatieke contacten met Marokko, werd het Nederlands soms gebruikt in contacten met Turkse diplomaten en politici.

Jeroen Harder was een Nederlander die in het Ottomaanse Rijk werkte. Hij kwam in 1673 in Constantinopel aan, en werd in januari 1675 aan de Staten-Generaal voorgedragen als tolk van de Nederlandse delegatie bij de Sublieme Porte (het centrale gezag in het Ottomaanse Rijk). Harder zal ongetwijfeld hebben samengewerkt met een groot aantal drogmans, de vertalers-tolken die de Ottomanen inzetten om de communicatie binnen hun rijk en met Europese staten te vergemakkelijken.

Eerder al, in de jaren 1620, was de geleerde Jacob Golius in het Midden-Oosten geweest. Hij leerde Turks en Perzisch en werd tijdelijk in Constantinopel tewerkgesteld als secretaris van Cornelis Haga, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Sublieme Porte. Tot in de negentiende eeuw maakte Griekenland deel uit van het Ottomaanse Rijk. In het midden van de achttiende eeuw verbleef de Griekse koopman Stephano d’Isay in Amsterdam. Hij sprak goed genoeg Nederlands om als vertaler op te treden voor Griekse aannemers in de stad.

In het Perzische Safavid-rijk had de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) een handelskantoor in Gamron (nu Bandar-e ’Abbas), waar vooral zijde werd verhandeld. Net als elders werden handelsdocumenten van de VOC, zoals inventarissen en vrachtbrieven, in het Nederlands geschreven. Armeniërs en handelsagenten, ook wel banians genoemd, fungeerden vaak als tussenpersonen in de handel en sommigen spraken mogelijk Nederlands.

Nederlands was de eerste Europese taal die intensief in aanraking kwam met sommige niet-Europese talen

Als gevolg van de handelsactiviteiten van de VOC was het Nederlands de eerste Europese taal die in de vroegmoderne tijd intensief in aanraking kwam met sommige niet-Europese talen. Dat leidde tot het ontstaan van vroege grammatica’s en lexicons in deze talen. Een voorbeeld is de eerste Nederlandse grammatica in het Perzisch en het Hindoestaans. Die werd in 1698 gepubliceerd door de VOC-koopman Joan Josua Ketelaar.

Langs de kusten van Malabar en Coromandel in Zuid-India was een reeks VOC-handelsposten gevestigd. De kerkelijke predikant Philippus Baldaeus publiceerde zijn verslag over dit gebied in 1672 in Amsterdam. Zijn rapport bevatte een vroege grammatica van een Dravidische taal (gesproken in de zuidelijke punt en het oosten van het Indische subcontinent). De intellectuele kosmopoliet Isaac Titsingh was aan het eind van de achttiende eeuw opperhoofd van de VOC-post Chinsura in Bengalen. Hij schreef persoonlijke en officiële brieven in het Nederlands, waarin hij heel vaak schakelde tussen zijn moedertaal en niet-Europese talen.

Op Ceylon (nu Sri Lanka) woonden moslims en christelijke bekeerlingen, maar de meerderheid van de Ceylonezen was boeddhist. Tussen 1656 en 1796 beheerste de VOC een groot deel van Ceylon, waar zij een monopolie had op de levering van kaneel. Het Nederlands werd gebruikt voor commerciële activiteiten en werd ingevoerd op de scholen die de VOC liet bouwen als een middel om het eiland in zekere zin Nederlands te maken. De VOC boekte daarin relatief weinig vooruitgang, omdat de vorige koloniale macht, de Portugezen, erin geslaagd was hun moedertaal te vestigen als een lingua franca.

Toch heeft het Nederlands zijn sporen nagelaten. Ongeveer 230 Nederlandse leenwoorden zijn geïdentificeerd in het Singalees (of Sinhala), al worden sommige niet meer gebruikt. Zo is een Nederlandse handelsterm als kwitantie geleend in het Sinhala (kuyitansiya), net als woorden voor voedsel, bijvoorbeeld aardappel (artapal).

Terzijde: dit artikel gaat over het internationale gebruik van de Nederlandse taal, waarbij de VOC en de WIC een grote rol hebben gespeeld. Tegelijk moet je erkennen dat deze organisaties erg veel onheil hebben veroorzaakt: om nieuw terrein te winnen en handel te drijven voerde de VOC bijvoorbeeld oorlogen tegen volkeren in Oost-Azië. Ook haalden beide compagnieën veel winst uit grootschalige slavenhandel – een praktijk die een enorme menselijke tol eiste.

Japanse ‘Nederlandkunde’

Het galjoen De Liefde bereikte, als eerste Nederlandse schip, Japan in 1600. De VOC dreef handel met Japan van 1609 tot aan de stopzetting van de activiteiten in 1799. Daarna dreef de Nederlandse staat handel met Japan. Tussen 1609 en 1641 hadden de Nederlanders een handelskantoor in Hirado en vervolgens op Deshima, een kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki. Omdat het de Nederlanders verboden was Japans te leren, moesten zij Japanse tolken betalen om hen te helpen communiceren met Japanse kooplieden en ambtenaren. Die tolken leerden vaak Nederlands van andere tolken en zodoende klaagden de VOC-dienaren in Japan vaak over de taalbeheersing van de tolken.

Maar na verloop van tijd werkten de Nederlanders samen met Japanse tolken en geleerden om lesmateriaal te produceren dat het Nederlands van de tolken moest verbeteren. Een belangrijk voorbeeld daarvan is het Nederlands-Japanse Zūfu Haruma-lexicon. Het hoofd van de handelspost, Hendrik Doeff, stelde dit samen, met de hulp van tolken. Nederlandse grammatica’s, zoals die van Willem Sewell en Matthijs Siegenbeek, werden geïmporteerd en herdrukt in Japan. Ook werden andere leermiddelen zoals uitspraakgidsen geproduceerd. Terwijl handelsdocumenten zoals vrachtbrieven, inventarissen, briefwisselingen en fabriekskranten in het Nederlands werden geschreven, moesten de auteurs vaak van taal wisselen naar bijvoorbeeld het Japans of zelfs het Portugees of Chinees om onbekende woorden uit te drukken. Japanse woorden die zij in het Nederlands moesten vertalen waren onder andere muntsoorten, maten en gewichten en boten. De Nederlandse variant kon behoorlijk verschillen van het oorspronkelijke Japans. Zo werd de eenheid van lengte ikken door Nederlandse auteurs weergegeven als ickge en de eenheid van volume koku als cockjen. Daarbij gaven Nederlanders ook Nederlandse namen aan Japanse compagnons en Nederlandse plaatsnamen aan Japanse plaatsen.

Hoewel de Nederlanders in de eerste plaats in Japan waren om handel te drijven, moesten zij ook verschillende diplomatieke en politieke functies vervullen. Ieder jaar (en na 1790 iedere vier jaar) maakte een delegatie van hoge Nederlandse kooplieden de reis van Deshima naar Edo (nu Tokio) om hulde te brengen aan de shogun (de militaire opperbevelhebber) en hem ervoor te bedanken dat de Nederlanders handel mochten drijven met Japan. Net als in Deshima werd de communicatie tussen de Nederlanders en de shogun en zijn ambtenaren vergemakkelijkt door de hulp van Japanse tolken. Tijdens een van de gelegenheden vroeg de shogun de hoogste Nederlandse koopman, Jan Louis de Win, de Nederlandse woorden voor kraanvogel, sparrenboom en schildpad op te schrijven, allemaal symbolen van een lang leven in Japan. In Edo bezochten Japanse geleerden de Nederlanders om meer kennis op te doen over ontwikkelingen in de westerse wetenschap. Dit was onderdeel van de beweging die bekend staat als rangaku of de Japanse “Nederlandkunde”.

Boek der Geruchten

Tussen 1640 en 1854 waren de Nederlanders de enige natie buiten Oost-Azië die handel mocht drijven met Japan. Bovendien mochten Japanners het land niet verlaten. De Nederlanders boden de Japanners dus toegang tot de wijde wereld. Elk jaar moesten zij een verslag schrijven over gebeurtenissen buiten Japan. Dat verslag werd in het Nederlands opgesteld en in het Japans vertaald, onder de titel Oranda fūsetsugaki of Nederlands Boek der Geruchten. Vanaf 1840, na het uitbreken van de Eerste Opiumoorlog (1839-42), schreven de Nederlanders een aanvullend rapport dat in het Japans werd vertaald onder de titel Betsudan fūsetsugaki of Speciaal [Nederlands] Boek der Geruchten. Daarin werden de gevolgen van de oorlog voor Oost-Azië geanalyseerd.

Tussen 1640 en 1854 waren de Nederlanders de enige natie buiten Oost-Azië die handel mocht drijven met Japan

De bevoorrechte positie van de Nederlanders eindigde in 1854, toen de Amerikanen de Japanners dwongen handel met hen te drijven. Andere westerse landen zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en Pruisen volgden al snel en in 1860 sloten de Nederlanders hun handelspost op Deshima. Maar het Nederlands raakte in Japan niet onmiddellijk in verval: het werd nog steeds gebruikt als diplomatieke taal tussen de Japanners en westerse diplomaten. In 1856 sloot Rusland een verdrag met Japan dat in het Nederlands was geschreven. Een verdrag tussen Japan en België uit 1866 was geschreven in het Japans, Frans en Nederlands. Hoewel het Frans toen de overheersende taal was in het Belgische openbare leven, kreeg de Nederlandse versie juridische voorrang in geval van twijfel. De Nederlandse taal werd ook gebruikt bij onderhandelingen tussen de Japanners en Italië, Siam (Thailand), Portugal en Pruisen. In 1868 luidde de Meiji-restauratie een nieuw tijdperk in Japan in, waarna het gebruik van het Nederlands snel afnam ten gunste van Engels, Frans en Duits.

Uiteindelijk heeft het Japans meer dan driehonderd Nederlandse woorden geleend. De Nederlanders introduceerden veel nieuwe items waaronder eten en drinken in Japan. Zo zijn de Japanse woorden bīru en kōhī afgeleid van het Nederlandse bier en koffie. (Het Nederlandse woord koffie is op zijn beurt afgeleid van het Ottomaans Turkse kahve, wat mogelijk via het Italiaans ging.)

Geen wereldtaal, wel veel sporen

Uiteindelijk is het Nederlands geen wereldtaal geworden zoals het Engels of Spaans. Maar de taal heeft wel degelijk haar sporen achtergelaten in andere talen. Hierboven staan voorbeelden van lexicale ontleningen in het Russisch, Sinhala en Japans, maar ook het Engels en Mandarijn-Chinees hebben woorden uit het Nederlands gehaald. Die ontleningen zijn vooral het gevolg van de uitgebreide commerciële contacten tussen moedertaalsprekers van het Nederlands en van andere talen in de wereld.

Dit artikel is gerealiseerd met steun van de Taalunie.
Marjet de Roose

Hallo lezer,
Wat gedacht over het boeiende verhaal van Hugo RAU in Neerlandia het blad (nr 1-1979) van het ANV (Algemeen Nederlands Verbond) blz 2 :
TOEN FORMOSA IN HET NEDERLANDS
BESTUURD WERD DOOR EEN BRUSSELAAR - https://www.dbnl.org/arch/_nee003197901_01/pag/_nee003197901_01.pdf en...opgepast op het auteursrecht ! Waar sommigen bij jullie wel een loopje durven mee nemen. :-( Veel leesgenot.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.