Publicaties
Sebald leed aan de fantoompijn van de herinnering
0 Reacties
Wankel
literatuur

Sebald leed aan de fantoompijn van de herinnering

Gaston Durnez staat stil bij de boeken van W.G. Sebald, een man met wit haar, een witte snor en de blik van een melancholische intellectueel.

“Lezer, sta even stil. In dit station begon Jacques Austerlitz, hoofdfiguur van de romancier W.G. Sebald, het verhaal van zijn levenslange zoektocht.”

Als het van mij afhangt, zal deze tekst binnen afzienbare tijd worden aangebracht op een voorname plek in het mooiste spoorwegstation van Vlaanderen, dat ook het mooiste van Europa is, ik bedoel dus Antwerpen-Centraal. Ik denk aan gouden letters op een marmeren plaat. Als er nog ruimte is, zou ik er aan toevoegen: “Zo begon hier ook een nieuwe literatuur.” (Of iets in die geest, ik wil er over praten.)

In 2021 zal het twintig jaar geleden zijn dat W.G. Sebald, auteur van een reeks literaire geschriften, de kroon op zijn werk zette met een roman over een Joodse man die dertig jaar lang Europa rondreist in de (wan)hoop zichzelf en de waarheid over het verleden tegen te komen. De tocht begint in de Antwerpse spoorweghal met de naam die meteen een troosteloos zinnebeeld wordt: la salle des pas perdus.

Austerlitz, de roman, vond wereldwijd weerklank. Hij scheen zelfs de weg naar de Nobelprijs al geopend te hebben toen Sebald, aan het stuur van zijn auto, een hartaanval kreeg en frontaal tegen een vrachtwagen reed. Hij was 57 jaar oud.

Sindsdien heeft De Bezige Bij zijn literaire werk in negen delen uitgegeven. Op die fraaie boeken staat een der mooiste schrijversportretten die je op omslagen kunt tegenkomen. Een man met wit haar, een witte snor en de blik van een melancholische intellectueel, lijdend aan “de fantoompijn van de herinnering”.

Lagunes van tijdloosheid

“Er bestaan veel vormen van schrijven”, zei Sebald, “maar alleen in het literaire schrijven gaat het om meer dan het registreren van feiten en om meer dan wetenschap, namelijk om een poging tot restitutie.”

Wat wilde hij teruggeven, terugbrengen? Overal waar hij reisde en kwam, zag hij het historisch bewustzijn van de mensen verminderen, terwijl de vernieling van het verleden onverminderd voortging. Op zijn manier wilde hij, met woord en beeld, een en ander van waarde vast leggen. Zijn wereld- en tijdsbeeld bleef pessimistisch, daar was niets aan te doen, maar hij poogde “heel kleine lagunes van tijdloosheid te maken”.

W.G. Sebald was een Duitser die in het laatste oorlogsjaar werd geboren (op 18 mei 1944) als zoon van een beroepsmilitair, in een dorp in de Allgau, in het zuiden van Duitsland. Toen hij als jonge man leerde wat zijn afkomst eigenlijk betekende, is hij na zijn universitaire studies uitgeweken. Via Zwitserland is hij naar Engeland gereisd en daar is hij, aan de University of Anglia, Norwich, docent Duitse literatuur geworden. Zijn voornamen wilde hij toen niet meer voluit schrijven. Zij klonken te Teutonisch. Onder vrienden liet hij zich Max noemen.

Tot het einde is hij in Engeland blijven wonen en werken. Hij bleef wel Duitser en hij schreef, buiten zijn wetenschappelijk werk, in zijn moedertaal. Hij reisde veel in Europa, vaak alleen, was veel op weg in de Engelse provincie. Altijd bleef hij zich een vrijwillige expat noemen. Een van zijn romans heet De emigrés en evoceert het leven van enkele Joodse vluchtelingen. Maar ook andere uitwijkelingen bevolken zijn werk. Naar zijn land van herkomst keerde hij vooral terug via zijn jeugdherinneringen. En via de literatuur. Het leidde hem op het hoogtepunt van zijn loopbaan naar een felle polemiek, toen hij in lezingen en publicaties met scherpe stem betoogde dat de naoorlogse Duitse literatoren meer aandacht hadden voor hun eigen “zuivere positionering” in de geschiedenis dan voor het leed van de mensen in de platgebombardeerde steden. “De natuurlijke historie van de vernieling”, zo noemde hij het boek met die polemiek.

Ook naar België placht hij als een expat te kijken. In de jaren tachtig en negentig liep hij geregeld door onze contreien. “Hoe meer ik van het land zag, hoe merkwaardiger het mij leek”, zei hij in 2001 aan de Vlaamse radioproducer Jean-Pierre Rondas. “Enerzijds is België echt het centrum van Europa, anderzijds leek het me helemaal extraterritoriaals, een plek met alleen eigenaardige dingen. (…) Voor mij hing deze België-ervaring samen met mijn vrijwillige expatriatie. België komt in bijna al mijn boeken voor, het land duikt altijd wel ergens op. België is voor mij het paradigma van Europa.”

Rondas sprak met hem voor de grote interviewreeks die hij destijds maakte voor Radio Klara van de VRT, een veeltalig zondagprogramma over “cultuur en wereldbeelden in boeken” waar ik met veel heimwee aan terugdenk. Het was een der fundamenteelste gesprekken die Sebald in die jaren in de internationale media bracht. Het was waarschijnlijk ook het laatste. Het werd in september 2001 uitgezonden, in december verongelukte Sebald.

Het onbetrouwbaarste van allemaal: herinneringen

De Duitser zag zich zelf niet als een echte romancier, hij noemde zich graag een auteur van “realistisch proza”.

In die uitdrukking kon meer dan één genre gevangen worden, teksten die hij bijeenbracht in bundels als Schwindel. Gefühle. De Nederlandse vertaling verscheen bij De Bezige Bij onder de titel Duizelingen. Op de flap wordt het boek goed getypeerd als “een duizelingwekkend web van geschiedschrijving, biografie, autobiografie, legende, literatuur en – het onbetrouwbaarste van allemaal – herinneringen”.

Een bijzondere rol gaf Sebald in sommige boeken aan foto’s en andere prenten. Het zijn geen illustraties, geen “verluchtingen”. Zij maken gewoon deel uit van de tekst. Zij schrijven als het ware mee. Zij bevestigen het verhaal en zij vullen het aan, zij getuigen voor de echtheid of althans voor de authentieke toon. Of zij zoeken mee naar een betekenis. Daarom zijn het geen zogenaamde kunstfoto’s, maar kleine grepen uit de werkelijkheid. Zij worden dan ook niet apart op beter papier of in aparte cahiers afgedrukt. Zij staan gewoon in de tekst, zoals letters. Zij zijn een brug tussen fictie en werkelijkheid. Dat is zeker zo in de “roman” Austerlitz, waar een tachtigtal foto’s in meewerken.

Jacques Austerlitz, de hoofdfiguur, is in de jaren 1930 als kleine jongen naar Engeland gezonden, om hem te redden uit de Duitse Jodenvervolging. Hij herinnert zich niet veel meer dan zijn triestige aankomst in een oud spoorwegstation. Het is geen toeval dat Sebald hem later in het Antwerpse station laat beginnen aan zijn reis door het verleden. Oorlog en treinen, stations en dood, het werden verwante begrippen.

De verteller van het boek ontmoet Austerlitz in 1967 voor het eerst in de wachtzaal. Zij zullen elkaar in de volgende drie decennia op ongeregelde tijdstippen terugzien, daar en elders in de wereld, waar zij hun ervaringen uitwisselen. De spoorwegkathedraal van de Scheldestad vertoonde in die periode tekenen van verval en dat boeide de schrijver die op zijn tochten overal zag hoe monumenten en grote werken hun toekomstige ruïne in zich droegen…

Austerlitz bestudeerde en bezocht vanuit Antwerpen de gordels van militaire forten die in de negentiende eeuw rond de stad werden gebouwd, vestingen die al bij de bouw achterhaald en zinloos waren. Een fort uit de buitenste ring was dat van Breendonk, “een van die plekken”, zei Sebald, “waarvan men zich eigenlijk niet kan voorstellen dat ze bestaan.” Hij zag Breendonk en zijn hele geschiedenis als “symbolisch voor de waanzin niet alleen van de vestingbouw maar ook van de manier waarop deze vestigingen in de geschiedenis van de vervolging als folteroorden werden gebruikt”. Hij voegde eraan toe: “Die door mensen uitgedachte systemen vernietigen zichzelf in hun ontwikkeling, ze tenderen principieel van zin naar onzin. Dat is waarschijnlijk een basiswet voor ons handelen.”

Een klasse apart

Kort na zijn dood heeft het werk van Sebald ook in de Lage Landen een goede pers gekregen. Ik weet niet of het een echt leessucces is geworden. Als ik zijn naam laat vallen buiten een literaire kring, hoor ik geen grote echo. In recensiemappen lees ik wel sterke besprekingen.

Een goede prozaliefhebber glimlacht als ik over een gedenkplaat “fantaseer”. Hij begrijpt dat journalisten een gulden slagzin boven hun artikel willen, zegt hij. Maar nieuwe literatuur ? Dat vindt hij overdreven. Hij rekent het werk van Sebald bij de documentaire literatuur, die de jongste jaren bij ons groeit in kwantiteit en kwaliteit.

Ik denk dat hij helemaal niet bij die groep hoort. Ik waardeer natuurlijk zeer de huidige herlevende bloemen van de oude non-fictie, ik zou anders geen journalist zijn. Maar ik vind dat Sebald een klasse apart is. Hij is zeker geen literair getinte reporter. Hij brengt een unieke mengeling waarin de literaire verbeelding een verbindende en verhelderende rol speelt en iets nieuws ter wereld brengt. In een heel specifieke, pijnlijke historische sfeer.

Kijk, ik heb hier een mooi citaat bewaard, van iemand die al heel vroeg aandacht vroeg voor Sebald, wat mij van hem helemaal niet verbaasde: Stefaan Hertmans, met zijn Oorlog en terpentijn de grote Vlaamse bestseller van de jongste jaren. “Sebald”, zegt Hertmans, “is voor mij een literair strateeg geworden, maar één die ook klopt met mijn existentieel aanvoelen van de dingen.”

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be