Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Een fles in een oceaan van materie. ‘Rennen naar het einde van de honger’ van Esther Jansma
0 Reacties
© Prometheus
© Prometheus © Prometheus
recensie
literatuur

Een fles in een oceaan van materie. ‘Rennen naar het einde van de honger’ van Esther Jansma

Zoals een archeoloog een boom opgraaft, verzaagt en weer een verhaal geeft, zo behandelt dichter Esther Jansma de werkelijkheid. In haar prachtige nieuwe bundel wordt een moederfiguur ‘verzaagd’ en krijgt iemand ‘een zacht rinkelende mantel van kattebellen’.

Ik schrok: Rennen naar het einde van honger is Esther Jansma’s eerste volledig nieuwe bundel in tien jaar. Natuurlijk heeft ze in de tussentijd niet stilgezeten. Ze publiceerde in 2015 de roman De Messias, samen met haar man Wiljan van den Akker onder het pseudoniem Julian Winter, en in hetzelfde jaar verscheen er ook een keuze uit eigen werk, Voor altijd ergens. Over die bloemlezing sprak ik nog met haar voor de Poëziekrant. Maar tien jaar… Zo lang geleden leek het toch niet? Ik weet hoe het komt: Esther Jansma (1958) is een dichter die ik vaak citeer, in een gesprek of in een e-mail. Dan schiet me een regel of een strofe te binnen, of ik zeg: dan moet je dat en dat gedicht van Esther Jansma lezen, daar staat het precies verwoord. Jansma is een dichter die mij, met haar gedichten, heel nabij blijft. Dat is een groot goed.

Jansma’s poëzie wordt steeds minder anekdotisch, en daarmee ook minder direct autobiografisch kort te sluiten

Zo zal het ook gaan met Rennen naar het einde van honger, want het is opnieuw een echte Jansma. Maar tegelijk ook anders. Nog altijd is haar taal heel direct: eenvoudige woorden, krachtige zinsbouw, soms zacht, dan weer dwingend, zoals kinderen met elkaar kunnen praten in hun spel. Maar haar poëzie wordt intussen steeds minder anekdotisch, en daarmee ook minder direct autobiografisch kort te sluiten. De poëzie in deze nieuwe bundel draait veeleer om de dynamiek, om krachten, heftige krachten die uiteenslaan, zoals de dood of gewelddadigheid, afwijzing, ontheemding, en aan de andere kant de poëzie die juist weer verzacht en bindt, al is het maar als een boodschap in een fles in een deinende en knallende oneindigheid:

Dus dit is een brief in een fles in een oceaan van materie
die duurt van begin naar begin naar weer beginnen
opdat ik het ooit tegen jou wél gezegd heb. Dit:
het heelal is een lichaam dat ademt van oerknal naar oerknal.

We dobberen op een oceaan van materie, het heelal dendert oneindig verder, maar tegelijk is dat heelal een grote eenheid. Alles hangt aan elkaar, blijft bewaard en keert ook weer terug, al is het maar in de poëzie, die boodschap in een fles die dobbert op een oceaan van materie. Het is een mooie, typische Jansma-strofe: kosmische proporties, een trucje met de tijd, een beetje tegen de kwantumtheorie aan (één van haar eerdere bundels begint ook met een gedicht dat ‘Schrödingers vangst’ heet), maar tegelijk ook van een vastberaden kinderlijk geloof, zoals je dat ook in haar roman Picknick op de wenteltrap (1997) tegenkomt: “‘Weer een van die dingen die nooit bewezen zijn,’ zegt de Romanticus. ‘Iemand verdwijnt en iedereen gaat zitten snikken. Dat maakt me razend! Wanneer gaat iemand eens echt onderzoek doen naar verdwijnen?! Voor hetzelfde geld is iemand ergens anders gaan wonen, of wordt hij na een tijdje doodzijn gewoon weer wakker!’”

Alles hangt aan elkaar, blijft bewaard en keert ook weer terug, al is het maar in de poëzie

In het interview in de Poëziekrant zegt Jansma: “Ik zit niet mijn onveranderlijke weten en waarheid te notuleren. Ik schrijf het ook op omdat ik er op dat moment behoefte aan heb dat het zo is. Ik weet ook wel dat het niks oplost. (…) En toch, zolang het gedicht duurt, is het zo – zal ik even zorgen dát er nooit iets voorbijgaat.”

Niet alleen op kosmisch niveau houden verdwijnen en bewaren elkaar poëtisch vast, als houtarcheoloog vindt Jansma ook in dood hout verdwenen verhalen terug. In het gedicht ‘Hoe we het vergeten verjagen’ wordt een boom opgegraven. Die boom ligt maar te vergaan onder het zand. “Tot wij er zijn.” De boom wordt uitgegraven en onderzocht: “Machines boren er gaten in. / We scheppen en verzagen haar.” De archeologen laten de boom weer spreken, maar zagen haar daarbij ook in stukken. Net zoals de dichter doet met de werkelijkheid, en de lezer met het gedicht. Let ook op hoe “het vergeten verjagen” en “verzagen” bijna gelijk klinken. Overal in de bundel vind je zulke samenhangen terug, vooral in woord- en beeldgebruik: een mond, een brief, steen, een ballon boven een hoofd, handen, een mantel, het zagen, sneeuwvlokken, honger, kinderen, moeders.

In die eeuwige recycling van oerknal naar oerknal keren natuurlijk ook de minder aangename dingen terug. In deze bundel is dat met name een boosaardige, gewelddadige moederfiguur. Er wordt geslagen, gesmeten, kaalgeknipt: “Had je maar niet moeten bestaan (…) Kale kop, onmeisje, niet-mens.” Of elders: “Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.” En in het volgende gedicht: “Er was eens een zij die een het had / Ze mocht het weer slaan van zichzelf.” Maar het kind (het onmeisje, het niet-mens) leeft nog en het gedicht vraagt zich af: “Heeft het de oerknal ervaren? / Was dit het begin van een menswording?” Het lijkt erop dat in deze bundel een moederfiguur... tja, laat ik het maar zo zeggen: verzaagd wordt. Opnieuw gedefinieerd, hernoemd. Want dat kan in poëzie:

Luister, er zijn geen represailles als je zwart
hernoemt tot licht, scherven tot dekens,
het verleden tot hand die je opvangt,
geopend, moeiteloos.

Aan het eind richt het gedicht zich rechtstreeks tot de moeder: “Zolang je in iets gelooft is het echt, moeder, (…) Kijk dan: ik stap uit je mantel van steen…”

‘Kattebel’ is een van de mooiste Jansmagedichten ooit, veelzijdig, maar voor alles liefdevol en teder

Een mantel van steen. Een paar gedichten verder zet Jansma daar een heel andere mantel tegenover. ‘Kattebel’ is een van de mooiste Jansmagedichten ever, veelzijdig, maar voor alles liefdevol en teder. Ik kan niet alles citeren, laat staan alles verklaren, vers/zagen is ook het lot van de recensent. Let vooral op de klank en het zachte ritme:

Och botervel, je kruimige gouden
mond vol brief, brioche en ons,
te week ben je in de verschervende
nagels van het grote veelpotige.

Goudbuikje, te zacht zonder mij
ben je als ik en ik eet je vlokken,
in nooit-meer-alleen hap ik, zo
snaai ik stiekem van mijn wieg.

Het doet er niet toe wie die “je” is: het kind dat Jansma zelf ooit was, of misschien haar eigen kinderen, het gaat om de tederheid. In het midden van het gedicht schrijft Jansma dat ze de “je” versiert met “mijn immer groeiende, zacht / rinkelende mantel van kattebellen”. Dat is even wat anders dan die mantel van steen. En neem je de “kattebel” te letterlijk, dan kom je terecht bij de verschervende nagels van het grote veelpotige (de kat) en vliegt het goudbuikje (een vogeltje) weg. Maar lees je het zoals gebruikelijk, dan is een kattebel een krabbel, een briefje van bijna niets dat alles kan bevatten. Een gedicht is eigenlijk ook maar een kattebel. En zo is de mantel van zacht rinkelende kattebellen een schitterend beeld voor een prachtig poëtisch oeuvre. Immer groeiend ook. Ja, gelukkig komen er nog steeds gedichten bij, al duurt het soms een jaar of tien.

Esther Jansma, Rennen naar het einde van honger, Prometheus, Amsterdam 2020. 51 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.