Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Reactie van Jelle Stegeman op onze recensie van zijn ‘Grote geschiedenis van de Nederlandse taal’
0 Reacties
taal

Reactie van Jelle Stegeman op onze recensie van zijn ‘Grote geschiedenis van de Nederlandse taal’

De recensie van Grote geschiedenis van de Nederlandse taal in de lage landen 2/2022 bevat volgens auteur van het boek, Jelle Stegeman, enkele slordigheden en feitelijke onjuistheden. Daardoor ontstaat er een vertekend beeld van zijn boek, schrijft Stegeman in een reactie op de bespreking van Nicoline van der Sijs.

Nicoline van der Sijs beweert in haar recensie van mijn boek Grote geschiedenis van de Nederlandse taal dat ik mijn eerder gepubliceerde Duitstalig handboek over de geschiedenis van het Nederlands nergens heb vermeld. Op de allereerste bladzijde van het eerste deel van mijn Nederlandse boek staat dit echter al in de derde alinea. Verder verwijs ik op dezelfde bladzijde nog eens naar deze Duitse publicatie en noem ik bovendien summier enkele verschillen tussen mijn Duitse en mijn Nederlandse boek.

Volgens Van der Sijs wordt het niet duidelijk voor welke doelgroep ik mijn Nederlandse boek heb bestemd. Dit is evenmin juist. Al op de eerste pagina van mijn hoofdtekst geef ik aan dat een groot deel van mijn boek, nl. de teksten over taalexterne ontwikkelingen, ook geschikt zijn voor lezers die niet over taalkundige kennis beschikken. In dezelfde paragraaf maak ik impliciet duidelijk dat de technische uiteenzettingen over taalinterne vernieuwingen bestemd zijn voor lezers met belangstelling voor taalhistorische verschijnselen. Dit blijkt ook doordat ik hier meteen vaktermen als klanken, syntaxis, morfologie en lexicon gebruik.

In dit verband merkt Van der Sijs op:

Ook de academische inleiding van het werk lijkt op die doelgroep [studenten - J.S.] gericht, gezien het vele jargon, zoals: “De ene deelnemer aan een communicatieproces kan de intentie hebben een non-fictieve boodschap via een tekendrager te communiceren terwijl de receptie ervan bij een andere deelnemer aan dit proces zoals een bemiddelaar of een recipiënt een esthetisch receptieresultaat oplevert.” Tja.

Tja, op het eerste gezicht lijkt deze uit de context gelichte zin inderdaad een misbaksel. Maar wie de hele paragraaf (1.2.2.) over verbale communicatieprocessen leest, zal een andere conclusie trekken. In genoemde paragraaf behandel ik stapsgewijs communicatieprocessen in natuurlijk taal aan de hand van volgens mij verhelderende voorbeelden. Begrippen als boodschap, tekendrager, bemiddelaar, recipiënt en esthetisch receptieresultaat licht ik uitvoerig toe voordat ik de gewraakte zin bezig. Bovendien gaat aan deze zin ook nog een naar mijn mening duidelijk voorbeeld vooraf.

Van der Sijs noemt het een nadeel dat brokken tekst waaruit mijn verhaal bestaat in verschillende stijlen zijn geschreven. Mij lijkt dit juist een voordeel. Enerzijds heb ik geprobeerd de zogenoemde externe geschiedenis van het Nederlands zo veel mogelijk te verwoorden op een wijze die andere recensenten van mijn boek (Joost Eskes en Marc van Oostendorp) en radiojournalist Frits Spits meeslepend en magistraal noemen. Anderzijds heb ik voor lezers met belangstelling voor historische taalkunde de teksten over taalinterne ontwikkelingen zo zakelijk mogelijk geformuleerd met afkortingen, schema’s, vaktermen en al.

In mijn boek citeer ik in aparte paragrafen voorbeelden van teksten om de lezers een indruk te geven van het taalgebruik in de besproken periode. Over deze ‘voorbeeldteksten’ schrijft Van der Sijs:

(…) er wordt geen relatie gelegd tussen de voorbeeldteksten en de overige paragrafen. Dat is een gemiste kans: het zou nuttiger en aantrekkelijker zijn als de voorbeeldteksten op relevante plaatsen binnen de andere paragrafen waren gezet bij wijze van toelichting bij bepaalde maatschappelijke gebeurtenissen of taalbijzonderheden.

Voor lezers van een boek over het Nederlands lijkt het mij juist aantrekkelijk om in duidelijk afgebakende afdelingen kennis te maken met teksten uit de behandelde periode, of het nu gaat om het Egidiuslied, Hoofts beschrijving van de moord op Willem van Oranje, een krantenverslag van de Leidse buskruitramp of Provo’s Wittefietsenplan.

Dat ik in mijn boek geen relatie leg tussen de voorbeeldteksten en de overige paragrafen klopt eenvoudigweg niet. Het tegendeel is het geval. Steeds weer, in elk hoofdstuk, citeer ik deze zogenoemde voorbeeldteksten. Dit vermeld ik trouwens in de inleiding. Voor enkele van de honderden voorbeelden hiervan verwijs ik naar slechts één willekeurige pagina uit één willekeurige paragraaf, en wel p. 552. Bij een toelichting op de kenmerken van naamwoordelijke constituenten in het Nieuwnederlands citeer ik zegge en schrijve negen zinnen uit de bedoelde voorbeeldteksten, en wel één uit Hoofts Nederlandsche Historien, één uit het Schilder-boeck van Karel van Mander en zeven uit het scheepsjournaal van Bontekoe.

Daar komt nog bij dat ik ook in de gedeelten over de externe geschiedenis van het Nederlands talloze malen verwijs naar de afdelingen met voorbeeldteksten. Vaak citeer ik deze zelfs, met name ook in paragrafen over maatschappelijke gebeurtenissen. Hoe kun je als recensent dan stellen dat het nuttiger en aantrekkelijker zou zijn als de voorbeeldteksten op relevante plaatsen binnen de andere paragrafen waren gezet bij wijze van toelichting bij bepaalde maatschappelijke gebeurtenissen of taalbijzonderheden?

Verder bestrijd ik Van der Sijs’ mening dat mijn paragrafen over taalkundige kenmerken statisch zijn. Opnieuw is het tegendeel het geval. Steeds weer wijs ik op ontwikkelingen en vernieuwingen in de taal door de eeuwen heen. In mijn uitvoerige bespreking van de Germaanse genen van het Nederlands beschrijf ik ontwikkelingen die doorlopen van het vroegste hypothetische (Indo-)Germaans resp. Germaans tot het Algemeen Nederlands van nu. ‘Dynamischer’ gaat het echt niet. In feite vertonen vrijwel alle paragrafen over de interne geschiedenis van het Nederlands een ‘dynamisch’ karakter, of het nu gaat om het ontstaan en de ontwikkeling van (on)afhankelijke syntactische structuren (‘hoofd’-en ‘bijzinnen’) of om de zogenoemde vernederlandsing van taalvariëteiten in het deltagebied, de rode respectievelijke groene volgorde in de loop van honderden jaren of veranderingen in de uitspraak van klanken in het Nederlands van de afgelopen honderd jaar.

Van der Sijs noemt mijn overweging om ‘het’ Nederlands als monocentrisch op te vatten een verouderd standpunt. Mijn tekst over dit, op zich minder belangrijke, vraagstuk, is echter niet zo expliciet:

Of men het AN als een pluricentrische dan wel monocentrische taal dient te karakteriseren hangt ervan af welke eigenschappen van het Nederlands resp. welke argumenten men het zwaarst laat wegen.

Dan noem ik vier argumenten om het Algemeen Nederlands niet als pluricentrisch op te vatten: (1) de ontwikkeling van het Nederlands wordt niet door verschillende centra in mindere of meerdere mate gestuurd, er is geen aparte Vlaamse instantie die vormen van ‘tussentaal’ reglementeert; (2) binnen het hele taalgebied gelden publicaties als Van Dale, de ANS of de Woordenlijst van de Nederlands taal als autoriteiten; (3) er is in de laatste decennia een symbiose tot stand gekomen tussen het Nederlandse en Vlaamse toneel, er ontstond één Nederlandstalig speelgebied; (4) literatuurwetenschappers als Jacqueline Bel en Hugo Brems houden het tegenwoordig op één Nederlandstalige literatuur, ook al was een specialist als Ton Anbeek vroeger een andere mening toegedaan.

Daar staat tegenover dat de status van ‘de’ Vlaamse – heterogene – ‘tussentaal’ verandert. Daarom stel ik voorzichtig:

Als sprekers van Vlaamse tussentaal deze, op zich heterogene, taalvariëteit echter in toenemende mate gebruiken in alle taaldomeinen, zullen zij dit Nederlands als een zelfstandige bovenregionale taal gaan opvatten die verschilt van het BE, het NN resp. het AN. […]. Zo valt niet uit te sluiten dat het Nederlands geleidelijk uitgroeit tot een pluricentrische taal.

Mijn benadering lijkt mij daarom niet verouderd maar genuanceerd.

Ten slotte concludeert Van der Sijs dat mijn boek voor neerlandici nauwelijks iets nieuws bevat. Gelukkig maar dat een eminente taalhistorica als Van der Sijs weinig nieuws in mijn boek ontdekt, anders zou ze haar vak niet beheersen. Neerlandici die minder goed of helemaal niet ingevoerd zijn in de geschiedenis van het Nederlands moesten het voor het verschijnen van mijn boek doen met het weliswaar gedegen maar niettemin in sommige opzichten verouderde handboek van Van den Toorn e.a. uit 1997 of met de onvolprezen inleiding van Van der Wal e.a. uit 1992 waarvan later alleen nog wat uitgebreidere, aangepaste drukken verschenen. Recentere inleidingen in de geschiedenis van het Nederlands hebben, gelet op hun omvang en diepgang, niet de pretentie als handboek te fungeren. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw hebben specialisten, onder wie ook Nicoline van der Sijs, veel en waardevol onderzoek verricht op het gebied van de geschiedenis van het Nederlands. Het leek me dan ook tijd om te proberen de resultaten hiervan zo goed mogelijk in een overzichtswerk te verwerken. Niet voor niets omvat de bibliografie van mijn boek circa 400 titels van publicaties die na 1997 verschenen. Ik hoop dat ik zo het meeste van al dat vele nieuws toegankelijk heb gemaakt voor lezers die minder gespecialiseerd zijn dan Van der Sijs.

Voor verschillende publicaties van Nicoline van der Sijs heb ik – soms grote – waardering, haar bespreking van mijn geschiedenis van het Nederlands hoort daar helaas niet bij.

Jelle Stegeman, Grote geschiedenis van de Nederlandse taal, Amsterdam University Press, 2021, 1.308 p. (twee delen)
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.