Prijs de poëzie, zolang ze van een Nederlandse dichter is
Eén Vlaamse dichter, elf Nederlanders: dat is de verhouding bij de kanshebbers op de Herman de Coninckprijs en de Paul Snoekprijs. Een pijnlijke vaststelling voor de twee belangrijkste Vlaamse poëzieprijzen, vindt dichter Benjamin De Roover, die zich grote zorgen maakt over de toekomst van opkomend Vlaams talent.
Als er één waarheid is die ik bij mijn overstap van dichter in Gent naar dichter-boekhandelaar in Amsterdam met pijn in het hart heb moeten aanvaarden, dan is het deze: literaire prijzen hebben een wezenlijk effect op hoe goed een boek het zal doen. Zo’n kleurige sticker met jubelende betiteling op het omslag en de bijkomende media-aandacht doen de beurzen net iets sneller openspringen, de gulzige hand net iets inhaliger grijpen naar het werk in kwestie. Een boek leeft bij de gratie en aandacht van de lezer – en hoe meer lezers, hoe weidser en veelvuldiger dat leven wordt. Een prijs blijkt daarbij een aardig handje te helpen.
Dat geldt voor proza, maar zeker ook voor poëzie. Méér nog zelfs, want poëzie lijkt steeds minder kritische aandacht te krijgen in kranten en op tv: media waarop de meeste lezers nog steeds vertrouwen om op de hoogte te blijven van literair nieuws.

Wat betekent het dan dat er voor de twee voornaamste Vlaamse poëzieprijzen, de Herman de Coninckprijs en de Paul Snoekprijs, respectievelijk geen en één schamele Vlaamse dichter genomineerd is? Die enkele Vlaming is dan ook nog eens oudgediende Peter Verhelst, die al zijn gehele loopbaan lang niet kan klagen over gebrek aan erkenning. Verder zijn voor de prijzen dus alleen maar Nederlandse auteurs geselecteerd.
Bij de Paul Snoekprijs brachten Vlamingen het er in het verleden nog goed vanaf, met vijf winnaars op elf jaargangen. Maar de voorbije zeven edities van de Herman de Coninckprijs werden – met uitzondering van Tijl Nuyts in 2022 – telkens door een Nederlandse dichter gewonnen. De vorige keer dat een Vlaming die prijs won, was in 2019. Toen ging hij naar niemand anders dan Peter Verhelst. En de Debuutprijs van het Vlaamse poëzietijdschrift Het Liegend Konijn, die van 2007 tot en met 2015 tweejaarlijks werd uitgereikt, heeft met Ruth Lasters één Vlaamse winnaar tegenover vier Nederlanders.
Hoe kan dat? Is het louter een kwestie van schaal? Nederland telt bijna drie keer meer inwoners dan Vlaanderen. Zijn er daarom meer dichters en zodoende meer prijzenswaardige bundels? Ik vrees dat het probleem dieper geworteld is.
Vorige zomer betrapte ik mezelf erop dat ik, nogal aangeschoten, op een of ander literair feest tegen een Vlaamse dichter en een Vlaamse prozaschrijfster stond te gillen dat als de literatuur in Vlaanderen haar eigen instellingen niet beter uitbouwt en benut, er over twintig jaar niet meer zoiets zou zijn als “de Vlaamse literatuur”. Ze schuifelden wat ongemakkelijk rond en gingen niet op mijn geweeklaag in. Ik was natuurlijk enigszins aan het chargeren, maar de angst die erachter lag, was serieus en oprecht.
De Vlaamse literatuur verwordt tot een gerontocratie met klinkende senexen als Verhelst, Lanoye, Hertmans en Brusselmans
Naast subsidieverstrekker Literatuur Vlaanderen lijkt het institutionele Vlaamse poëzielandschap nu ongeveer te bestaan uit enkele uitgeverijen: het balanseer, uitgeverij P, Pelckmans, Borgerhoff & Lamberigts, Archipel, De Zeef en het Poëziecentrum, dat ook de Poëziekrant publiceert. Tot voor kort was er nog Uitgeverij Vrijdag, maar die is vorig jaar opgehouden te bestaan. Die uitgeverijen zijn kleinschalig en kunnen in Vlaanderen maar op geringe aandacht van de pers en de lezer rekenen. Laat staan dat ze lezend Nederland bereiken. Als ze in de nabije toekomst niet verder worden ondersteund en uitgebreid, zal de ruimte voor Vlaamse dichters steeds meer krimpen.
Hoe zijn we in deze situatie beland? Dat het Nederlandse uitgeverijen wel lukt om hun aanbiedingen met poëzie te vullen, toont dat het antwoord scherpzinniger moet dan de dooddoener dat poëzie niet verkoopt. Het lijkt erop dat Vlaamse en Nederlandse uitgevers wel in hetzelfde taalgebied actief zijn, maar niet in dezelfde markt. Een boek dat wel in Vlaamse maar niet in Nederlandse boekhandels ligt, heeft veel minder verkoopkansen dan een boek in de omgekeerde situatie. Toegang tot de Nederlandse markt is voor Vlaamse uitgeverijen cruciaal, en net dat blijkt in de praktijk vaak een probleem. De Nederlandse boekenmarkt is oververzadigd, niemand zit te wachten op nog meer aanbod en de Nederlandse boekhandels, die in theorie wel baat hebben bij goedverkopende Vlaamse boeken, zijn niet geneigd om onbekende Vlaamse poëzie in te slaan. En zo belanden we opnieuw bij de ondervertegenwoordiging van Vlaamse dichters in de nominaties van literaire prijzen.
Als een Vlaamse literatuurprijs naar een Nederlandse auteur gaat, dan vloeit dat geld niet terug naar de zorgbehoevende Vlaamse literatuur maar verdwijnt het in de ronkende Nederlandse boekenmachinerie
Als het speelveld van de markt niet gelijk is, dan is er nood aan een orgaan dat de markt corrigeert. De Vlaamse regering vertrouwt die taak toe aan Literatuur Vlaanderen, dat, zo staat op de website te lezen, met haar marktaanvullende en marktcorrigerende rol de Vlaamse boekensector moet versterken. Ze geeft werkingsbeurzen aan individuele dichters, en daarnaast kent ze subsidies toe aan literaire tijdschriften en het Poëziecentrum, dat in 2024 een tiental Vlaamse dichtbundels uitgaf. Is dat genoeg? Kwalitatief werk van opkomend talent reikt nauwelijks verder dan de directe kennissenkring van de auteur. Laat staan dat het zijn weg vindt naar prijzenjury’s en een groot lezerspubliek.
En wat gebeurt er als een Vlaamse literatuurprijs naar een Nederlandse auteur gaat – of zelfs naar een auteur die in Nederland wordt uitgegeven? Dan vloeit dat geld niet terug naar de zorgbehoevende Vlaamse literatuur. Het verdwijnt dan zo, hup, de ronkende Nederlandse boekenmachinerie in, die zich er niet van bewust is dat de Vlaamse literatuur intussen verwordt tot een gerontocratie met klinkende senexen als Verhelst, Lanoye, Hertmans en Brusselmans – auteurs die allemaal bij Nederlandse uitgeverijen zijn ondergebracht.
Ik rouw om de poëzie die in de toekomst niet bekroond zal worden: niet omdat ze niet goed genoeg is maar omdat ze tragisch genoeg niet eens kon worden uitgegeven.
De kans is groot dat de Herman de Coninckprijs en de Paul Snoekprijs straks allebei naar – ongetwijfeld verdienstelijke – Nederlandse auteurs gaan. Dat zal niet het gevolg zijn van gebrek aan Vlaams talent. Er zijn genoeg dichters, onuitgegeven of onbekroond: Nele Buyst, Mathijs Tratsaert, Sofie Verdoodt, Elsbet De Pauw, Zindzi Tillot, Pieter Van de Walle, Ka(a)te Dejonckheere, Casper Burghgraeve, om er maar enkelen te noemen. Het zal het gevolg zijn van een infrastructureel gebrek aan Vlaamse zijde. Ik rouw om de poëzie die in de toekomst niet bekroond zal worden: niet omdat ze niet goed genoeg is maar omdat ze tragisch genoeg niet eens kon worden uitgegeven.
Hoe kan het dan anders? Een afwachtende houding heeft geen zin. Zolang er te weinig middelen zijn voor nieuw talent, moeten er andere manieren gezocht worden. Voor nu houd ik er de hoop in dat de jonge Vlaamse literatuur zich meer van onderop organiseert. Ondergronds, in de luwte, met de rug naar Nederland, kan de Vlaamse literatuur zich herdenken, herbronnen, en weer opbloeien.
Met grote dank aan mijn mederedacteuren Astrid, Ewoud, Hanna en Mathijs. Samen zijn we het tijdschrift Flemish Review de la Poëzie, incubatiekamer voor de ideeën in deze tekst.
Reacties
Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.
Niet met de rug naar Nederland, Benjamin, maar met de borst vooruit open voor de hele wereld.