Publicaties
Natuurlijk is de standaardtaal elitair
0 Reacties
© Loesje
© Loesje © Loesje
column Taaltoestanden
taal

Natuurlijk is de standaardtaal elitair

Vorige maand vertoonde het weer aprilse grillen, maar beleefden we ook aprilse rellen als het over taal ging. Zijn ‘groter als’, ‘nooit niet’ en ‘een hele mooie auto’ nu correct Nederlands? Moeten we de dt-regels niet meer naleven en andere taalfouten relativeren? Gaat alles naar de verdoemenis? Onze taalcolumnist Marten van der Meulen zoekt naar nuance in het vaak verhitte, van verontwaardiging kromgetrokken debat.

Zelden ben ik in één maand zó overspoeld door taalrelletjes als afgelopen april. Ophef over dt-fouten. Gedoe over de nieuwe uitgave van de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Opschudding over taalfouten in het eindexamen Nederlands. En de vonk die het vuur deed ontbranden: het besluit van de Universiteit van Hull om studenten niet meer af te rekenen op spel- en taalfouten, omdat een hoge vaardigheid in geschreven academisch Engels kan worden gezien als “homogeen, Noord-Europees, wit, mannelijk en elitair”.

Aldus de Hull Daily Mail. De berichtgeving in één sensatiegericht lokaal blaadje was genoeg om columnisten, journalisten en andere stemmingmakers als dronken clowntjes over elkaar heen te doen buitelen van verontwaardiging. “Politiek van de lage verwachting”, “tirannie van de middelmatigheid” en andere ronkende beweringen schoten als vuurpijlen de lucht in. Niemand leek te willen checken of het nu echt allemaal zo erg was. Dat blijft onduidelijk: het kan ook dat de universiteit simpelweg besloot om de inhoud relatief veel zwaarder te laten wegen.

Hoe dan ook was het blijkbaar zo’n heftige kwestie dat vrijwel niemand eens durfde na te denken of er niet een kern van waarheid zat in het uitgangspunt. Is de standaardtaal inderdaad elitair?

‘Politiek van de lage verwachting’, ‘tirannie van de middelmatigheid’ en andere ronkende beweringen schoten als vuurpijlen de lucht in

Ja, natuurlijk is hij dat. Vanaf het begin van de taalnormering, voor het Nederlands in de zestiende eeuw, is de taal afgebakend en beregeld door de elite. Hij wordt in stand gehouden van bovenaf, tegenwoordig door officiële instanties als onderwijs en overheid. De taal zoals die in de praktijk gebruikt wordt ­– kijk naar het Verkavelingsvlaams – staat soms op flinke afstand van de taalnorm. Taalvariatie die uit bijvoorbeeld dialecten opkomt, zoals me voor mijn, of hun als onderwerpsvorm, wordt in de standaardtaal streng veroordeeld. Het is een onomstotelijk en waarneembaar feit dat de standaardtaal de taal van de elite is.

Net zo vanzelfsprekend is de koloniale, Noord-Europese dimensie van de standaardtaal. Het Nederlands en het Engels werden meegenomen naar de koloniën: ook daar moest men zich conformeren aan de norm van het thuisland. Nieuwe, postkoloniale variëteiten zoals Australisch Engels en Indiaas Engels krijgen pas sinds kort erkenning als ietwat afwijkende maar toch volwaardige taalsystemen. Het gebrek aan erkenning en waardering voor nieuwere variëteiten zie je ook aan de tot op heden ontoereikende wetenschappelijke bestudering van het Surinaams-Nederlands. Ook die variëteit is nog nauwelijks erkend als op zich staand systeem.

Het is een onomstotelijk feit dat de standaardtaal de taal van de elite is. Net zo vanzelfsprekend is de koloniale, Noord-Europese dimensie ervan

De vraag is dus helemaal niet óf de standaardtaal elitair is. De vraag is wat je met dat gegeven doet. Dat is een vraag waar je over kunt discussiëren. Want dat is geen wetenschappelijke vraag, maar een beleidsvraag. Wat je uiteindelijk kiest, is niet goed of fout, waar of niet waar: het hangt af van wat jij belangrijk vindt.

Je kúnt zeggen: het is belangrijk dat we een nauwe standaardtaal nastreven, want dat houdt de taalgemeenschap bij elkaar, draagt bij aan een gevoel van gedeelde identiteit, bevordert begrijpelijkheid en bevestigt de banden met het verleden. Dus moeten we vasthouden aan één set taalnormen. De normen die we hanteren voor geschreven, betrekkelijk formele taal. Voor rapporten en artikelen, voor kranten en wetten. Precies die stukken die je leert schrijven op de universiteit.

Aan de ene kant is het heel goed dat de universiteit minder discrimineert op taal. Dat niet meer, zoals vroeger wel gebeurde, mensen die bijvoorbeeld “plat” praten, minder kans op toelating zouden hebben. Aan de andere kant zou het nogal wrang zijn als nu juist die universiteit van bovenaf bepaalt om de standaardtaal niet meer aan te leren. Want hiermee zou de universiteit (de elite, zo je wilt) haar studenten de kans ontnemen kapitaal op te bouwen. Want dat is een goede taalbeheersing, net als een zekere flux de bouche of tafelmanieren. Het is een toegangsbewijs, een visitekaartje.

Aan de ene kant is het goed dat de universiteit minder discrimineert op taal. Aan de andere kant zou het wrang zijn als juist zij bepaalt de standaard niet meer aan te leren

Dat niet meer aanleren is alsof een drukker zegt: nee hoor, we maken alleen nog verfomfaaide visitekaartjes, want wij vinden dat je daar niet zo’n belang aan zou moeten hechten. Maar daar sta je dan, tussen je collega’s, met je suffe, beenkleurige, Sillian Rail kaartjes. Het is je niet aangeleerd, maar je wordt er wel op afgerekend.

Dus nee, de Universiteit van Hull moet niet alle spelfouten in de ban doen. Dat is als houthakken met een lepel: het probleemoplossende gereedschap past niet bij het probleem. Maar ook al is dit dan niet de oplossing, er is wel degelijk een probleem. Dat probleem heeft vooral te maken met de manier waarop taalnormen worden toegepast.

Alle spelfouten in de ban doen? Dat is als houthakken met een lepel: het gereedschap past niet bij het probleem

Veel mensen doen namelijk alsof die ene set regels, die ooit bedacht was voor specifieke vormen van geschreven taal, de enige juiste is. Dat die regels dus altijd moeten gelden. Maar dat is helemaal niet zo. Er zijn heel veel situaties waarin de regels veel minder rigide zijn, zoals in informele geschreven taal of vrijwel alle vormen van gesproken taal. Spelfouten maak je natuurlijk niet in gesproken taal, maar iedereen trekt wel woorden samen, verhaspelt zinnen, en gebruikt andere grammaticale constructies. Als dát kan, waarom dan niet ook het boek wat of een hele mooie auto? De regels voor de ene situatie hoeven niet de regels voor alle situaties te zijn.

Er zijn zelfs taalvariëteiten waarin de regels tegenovergesteld zijn aan de regels van de standaardtaal. Toch proberen mensen krampachtig de standaardtaalregels ook aan die situaties en variëteiten op te leggen. Een van de ergste voorbeelden daarvan zag ik toen iemand op Twitter zei altijd mooier dan te schreeuwen als ze Daniël Lohues’ nummer ‘Niks mooiers as dat’ hoorde.

https://www.youtube.com/embed/-o9I1E4qcTw

Maar Daniël Lohues zingt in het Drents, een Nedersaksisch dialect. In dat dialect is mooier als juist de norm. Zeggen dat zijn gebruik van mooier als fout is, is als zeggen dat het fout is dat een voetballer niet in maatpak op het veld staat.

Daar ligt de winst. Er moet meer oog komen voor de breedte van taal. Niet óf, maar óók. Op de universiteit (en eigenlijk al ver daarvoor) moet meer aandacht komen voor het feit dat niet iedereen vanuit zijn of haar achtergrond de ouderwetse elitenorm beheerst. Dat is uiteindelijk waar dat geval in Hull over gaat. Het is een kwestie van toegankelijkheid, maar vooral van erkenning. Andere variëteiten van een taal zijn net zo waardevol en systematisch als de standaard. Alleen zijn de toepassingsmogelijkheden en de sociale connotaties anders.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.