Publicaties
Makkers, staakt uw wild gemekker!
0 Reacties
Taaltoestanden
taal

Makkers, staakt uw wild gemekker!

Taalwetenschapper Fieke van der Gucht leest en luistert, en beschrijft wat haar opvalt in ons taalgebruik. Deze maand: mopperaars en mensen die klagen over de achteruitgang van taalvaardigheid bij studenten. Zou het niet kunnen dat taalzeuren uit het oog verliezen dat schrijven een complex leerproces is?

Ik hou niet van gezeur, vooral niet als het over taal gaat. In dat opzicht is het enigszins ongelukkig dat ik taalwetenschap studeerde. Nog minder treft het dat ik halftijds coördinator ben van Taalonthaal, het schrijfcentrum van Universiteit Gent. Studenten kunnen daar terecht met academisch schrijfwerk dat mank loopt. Er passeren teksten die stroppen op warrige structuur, stokken door ongepaste stijl, spaak lopen door foute spelling en teksten die al die schrijfeuvels combineren. Tijdens een gesprek over hun teksten trekken de studenten en ik kromme teksten weer recht. Of toch rechter.

Precies als schrijfcoach blijk ik de perfecte klaagmuur voor taalmopperaars. Daarmee bedoel ik dan niet ‘mijn’ studenten, maar hun docenten. Het taalvaardigheidsniveau zou erop achteruitgaan, en dat jaar na jaar na jaar na jaar. De argumentatie in studentenpapers draait tegenwoordig in vicieuze cirkels rond, de structuur maakt alleen maar bokkensprongen, de stijl fladdert heden ten dage alle kanten op en geen werkwoord verschijnt nog zonder dt-fout. Vroeger daarentegen, leid ik daaruit af, werd er helder betoogd in teksten die qua stijl en taalvorm vlekkeloos waren.

Als schrijfcoach blijk ik de perfecte klaagmuur voor taalmopperaars

Die slechtschrijvende studenten van tegenwoordig waren er vroeger ook al. Adams Sherman Hill, journalist en professor retorica aan Harvard University steeg de plaatsvervangende schaamte al in 1878 naar de wangen:

“Everyone who has had much to do with the graduating classes of our best colleges has known men who could not write a letter describing their own commencements without making blunders which would disgrace a boy twelve years old.”

Dichter bij huis roloogden Désiré Pissens en Juliaan Festraet in het katholieke handboek Taalgroei uit 1924: “Hoe is het toch mogelijk, vraagt men zich af, dat onze jongens na hun middelbare scholen, […], zo ontoereikend hun eigen moedertaal beheerschen?”

Middelmatige schrijvers zijn van alle tijden

Zou het niet kunnen dat taalzeuren uit het oog verliezen dat schrijven een complex leerproces is? Zou het kunnen dat ze vergeten zijn hoe ze zelf gegroeid zijn in dat proces? Zelf schreef ik een doctoraat bij elkaar dat bulkte van nominalisaties en tangconstructies, van zinnen die veel te lange aanlopen maakten en te breed uitwaaierden. Pas later, toen ik in de culturele sector aan de slag ging, leerde ik toegankelijker te schrijven. Bovendien hebben docenten-taalklagers vaak een bovengemiddeld talent voor schrijven van nature. Misschien vergeten ze voor het gemak dat er ‘in hun tijd’ ook al middelmatige en slechte schrijvers bestonden, die dan weer uitblonken in iets anders. En kijken ze wel genoeg in ’t eigen hert? Zelf stel ik bijvoorbeeld vast dat vage schrijfproducten soms samenhangen met onduidelijke opdrachtomschrijvingen.

Kijken docenten-taalklagers wel genoeg in ’t eigen hert?

Of de slabakkende schrijfvaardigheid van alle tijden is dan wel een recente trend: ook de wetenschap raakt er niet echt aan uit. Voor elk onderzoek dat alarm slaat, is er weer eentje dat het S.O.S. als vals alarm afdoet. An De Moor van hogeschool Odisee beweerde in De Standaard van 21 mei 2019 op basis van een taaltestanalyse dat eerstejaarsstudenten “onvoldoende de structuur van een tekst bevatten” en “steeds moeilijker het onderscheid maken tussen formeel en informeel taalgebruik”. Tegelijkertijd zijn er net zo goed onderzoeken die deze achteruitgang nuanceren. In Why They Can’t Write verwijst auteur John Warner naar onderzoek van Lunsford & Lunsford, die de schrijfproducten van studenten tussen 1917 en 2008 onder de loep namen. Zij kwamen er juist op uit dat het aantal fouten tegen schriftelijke taalvaardigheid consistent bleef over de jaren heen.

Taalverloedering verrijken

Ik hou niet van gezeur, vooral niet als het over taal gaat. In april liet ik me toch weer vangen. Of ik een praatje wilde houden over taalvaardigheid bij studenten. Die ging er toch aldoor op achteruit, niet? De titel hadden de organisatoren alvast bedacht: Taalverloedering of -verrijking: that’s the question. Ik verving de titel uiteindelijk door Taalverloedering verrijken: that’s the spirit. Of de taalvaardigheid er nu al dan niet op achteruitgaat, is voor mij geen cruciale vraag, legde ik uit, want taaltekorten zijn van alle tijden. Hoe je taalvaardigheid kunt aanscherpen, daar breek ik me liever het hoofd over: door een taalbeleid te ontwikkelen, door taalleerlijnen in te bouwen, door taalontwikkelend les te geven, door extra ondersteuning van schrijfcentra. Dat ik met plezier vragen zou beantwoorden, zei ik tot slot, zolang het geen zeurvragen waren. Het publiek zweeg angstvallig en applaudisseerde beleefd. Daarna kon ik de zon in. In mijn wereld regent het zelden.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be