Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

In twee werelden. Lust en lijden van de Nederbelgische schrijver
0 Reacties
Nieuwkomers in het Noorden
literatuur

In twee werelden. Lust en lijden van de Nederbelgische schrijver

België is een ‘exilland’ voor Nederlandse schrijvers. Van Multatuli tot Willem Frederik Hermans. Maar ook vandaag leeft de traditie voort. Tomas Vanheste – die zelf als Vlaming opgroeide in Nijmegen – ging op bezoek bij drie Nederbelgische schrijvers die elk in een andere levensfase aanspoelden in België. Het land van aankomst volgens Joke van Leeuwen, Rob van Essen en Marc Reugebrink.

Joke van Leeuwen: hekel aan hokjes

“Er zit het ritme van een alarm in”, zegt Joke van Leeuwen. Zojuist heeft ze haar met opzet hakkelende gedicht ‘Ben ik’ voorgedragen. Een regel eruit is verwerkt in een afbrokkelende muur bij het Antwerpse kindertheater hetpaleis. Het is in de tijd dat ze stadsdichter was geschreven naar aanleiding van de Werelddag tegen Kindermishandeling. In Van Leeuwens werk wemelt het van de kinderen in precaire situaties, zoals vondeling Catho in het met de AKO Literatuurprijs bekroonde Feest van het begin (2012) en de in een tehuis wonende Mier in haar jongste roman Mijn leven als mens (2021). Het zijn beschadigde maar ook veerkrachtige en creatieve kinderen die hun verloren afkomst en hun oord van aankomst in hoofd en hart moeten zien te verzoenen.

Wellicht kan Van Leeuwen buitenbeentjes die met de voeten in twee werelden staan zo goed verbeelden omdat ze zelf als dertienjarig Nederlands meisje in Brussel aanspoelde. In 1966 trok het gezin Van Leeuwen naar Brussel. Vader werd er hoogleraar aan een kleine protestantse faculteit. “België was toen nog veel meer dan nu een heel katholiek land. De kinderen vroegen of ik ook christen was, ze hadden geen idee”, herinnert ze zich op een terras tegenover hetpaleis.

De Belgen hadden in die tijd een haat-liefdeverhouding met Nederland. Met bewondering keken ze naar de Nederlandse televisie, het Nederlands uit het Noorden zagen ze als het lichtende voorbeeld. Het atheneum waar Van Leeuwen naartoe ging, maakte trots wereldkundig dat er veel Nederlanders op de school zaten. “Aan de andere kan waren ze als de dood dat de Nederlanders, die vrijer waren, de goede naam van de school zouden schaden”, vertelt ze. “Ik kwam van een school waar op mijn initiatief een schoolorkestje was ontstaan en er schoolfeesten waren. Dat was hier allemaal niet. Zelf een schoolkrant opzetten mocht ook niet. We kregen van hogerhand een krantje met de titel ‘Ontwaken’. Dat zou je als puber natuurlijk nooit bedenken.”

Een Hollandse vrijheids- en dadendrang hoefde ze niet eens te tonen om anders te zijn, haar tongval volstond. “Je doet je mond open en je wordt meteen ingedeeld. Je komt uit Nederland, met de daarbij horende clichés. Nederlanders zijn betweterig enzovoort. Ik was een verlegen grietje. Een keer had ik mijn huiswerk niet gemaakt omdat ik niet snapte wat ik moest doen. Maar er was geen plaats voor het idee dat ik het niet goed had begrepen. De reactie was: als jij het beter denkt te weten zoals al die Hollanders, ga je maar terug naar je eigen land.”

Op de lagere school in Amsterdam had Van Leeuwen geleerd dat commandant Jan van Speijk een held was. In 1831 had hij zijn oorlogsschip, dat te dicht bij de kade in Antwerpen was gekomen, opgeblazen om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen. Zijn legendarische maar waarschijnlijk nooit uitgesproken laatste woorden zouden “Dan liever de lucht in!” zijn geweest. In Brussel hoorde ze dat de triomfboog in het Jubelpark, waar ze vlakbij woonde, er was neergezet om te vieren dat de Hollandse onderdrukkers eruit waren geknikkerd. “Daar zat ik dan tussen met een rode kop alsof ik het gedaan had. Al zag ik dat natuurlijk niet toen ik veertien was, voor een schrijver was het een ontzettend nuttige ervaring. Voor de rest van je leven heb je de neiging je af te vragen hoe het er van de andere kant uitziet.”

Van Leeuwen heeft er niet alleen een verlangen zich te verplaatsen in de ander aan overgehouden, maar ook een hekel aan hokjes. “Ik ben in geen enkel opzicht in te delen”, zegt ze. Een veelheid van ambachten beoefent ze: ze is cabaretier, schrijver van boeken voor volwassenen en kinderen, dichter en tekenaar. “Zeker toen ik jong was, kreeg ik te horen dat ik alleen dit of dat moest doen. Er moet in de Europese geschiedenis ontzettend veel vrouwelijk talent verloren zijn gegaan omdat ze klein werden gehouden en gedaan werd alsof ze tweederangs mensen waren.”

Joke van Leeuwen: ‘Je doet je mond open en je wordt meteen ingedeeld. Je komt uit Nederland, met de daarbij horende clichés. Nederlanders zijn betweterig enzovoort. Maar ik was juist een verlegen grietje’

De Vlaamse goegemeente blijft evenwel een drang hebben haar in het hokje Hollander te duwen. “Mensen hebben het tegen mij nog steeds over ‘jullie’, terwijl het al een halve eeuw geleden is dat ik hier kwam”, zegt Van Leeuwen. “Het is goed om te weten hoe het is om voortdurend te worden aangesproken alsof je zeventien miljoen mensen vertegenwoordigt”, voegt ze daar ironisch aan toe. Het leeuwendeel van haar leven woonde ze in België, maar ze geldt nog steeds als Nederlandse schrijver. “Als ik een keer op een shortlist sta, dan zullen ze in de Vlaamse kranten alleen de Vlamingen noemen en nooit vermelden dat ik erop sta.”

Toch heeft ze het idee dat vooral haar jeugdboeken tegenwoordig in Vlaanderen in een betere bedding vallen. “De kinderliteratuur heeft in Vlaanderen heel lang onder de stolp van het katholicisme gezeten, terwijl er in Nederland een bloei was. Er was veel aandacht voor originele, goedgeschreven kinderboeken. Maar met de opkomst van het marktdenken in de jaren negentig zakte dat echt in. In Nederland is de Kinderjury nu een populariteitspoll. Hier is er een lijst van allerlei soorten boeken, zodat de kinderen daarmee in aanraking komen. Dan mogen ze kiezen wat ze het mooiste vinden en daar wordt dan serieus over gesproken met elkaar.”

Het is zeker niet het enige front waarop de rollen zijn omgedraaid. “Vlaanderen is enorm opgebloeid, economisch en ook cultureel”, zegt Van Leeuwen. “Tegelijkertijd is Nederland van een soort gidsland verworden tot een land dat niet meer weet wat het wil en hoe het moet. In menig opzicht is het hier nu beter dan in Nederland. Ik weet van mensen die deze richting uit komen omdat hier geen woningnood is en ze de gezondheidszorg beter vinden en er geen wachtlijsten zijn. Ik denk dat de taal in Vlaanderen meer verzorgd is omdat de mensen weten dat je daar soms voor moet vechten. Hier zijn ook bezuinigingen, maar het bewustzijn van het belang van cultuur en cultuureducatie is sterker dan in Nederland. Het dedain van oud-staatssecretaris Halbe Zijlstra, die cultuur een linkse hobby noemde, is hier onbestaande. Ik heb het idee dat Nederland wel een beetje richting cultuurbarbaarsheid is opgeschoven.”

Joke van Leeuwen: ‘Het is een verrijking als je uit twee landen komt. Iedereen die bicultureel is moet twee culturen vreedzaam met elkaar verzoenen in eigen hoofd en hart’

Het culturele bad waarin ze in België is ondergedompeld heeft Van Leeuwen als weldadig ervaren. “Toen ik jong was las ik voornamelijk Vlamingen. Walter van den Broeck bijvoorbeeld. Ik vond dat er meer muziek in hun boeken zat en ook meer verbeelding. Ik houd ook wel van het soort absurdisme dat je ziet in allerlei dingen die hier gemaakt worden. Het stripverhaal van Olivier Schrauwen over zijn grootvader die naar Congo gaat vind ik ontzettend leuk. Dat is maf op een manier die ik met hier associeer. Schrauwen heeft een soort gedachtekronkeltjes waar ik heel goed mee overweg kan. Ik ben ook een fan van de Brusselse filmaker Jaco Van Dormael.”

Ze voelt zich een Nederbelg. “Het is een verrijking als je uit twee landen komt. Je doorbreekt daarmee de stereotypen, die zo hardnekkig zijn. Iedereen die bicultureel is moet twee culturen vreedzaam met elkaar verzoenen in eigen hoofd en hart. En dat is nog moeilijker als je van verder weg komt dan als je uit een buurland komt. Je hebt daardoor wel iets te vertellen wat iemand anders niet heeft.”

Bi is ze nog in een ander opzicht. “Dat is ook een bron van wantrouwen die ik van beide kanten heb meegemaakt”, zegt Van Leeuwen. “Je bent niet echt lesbisch, je bent niet echt hetero. Ik heb er heel veel over gezwegen, maar als je van iemand houdt, houd je van iemand, punt. Ook in dat opzicht ben ik tussen wal en schip gevallen.” Met haar ex-man woonde ze in de jaren negentig een tijdje in Amersfoort. “De mensen daar in de buurt deden van: zo, nu ben je weer thuis. Maar in Brussel voel ik me meer thuis bij allemaal mensen die ergens anders vandaan komen. Het is een stad zonder grote, dominante cultuur. Al is het eentalig, Antwerpen heeft dat ten dele ook. Ik heb het gevoel dat ik mij juist thuis voel waar iedereen zich niet zo vreselijk thuis voelt.”

Marc Reugebrink: ‘Infernale dynamiek’

We kunnen nochtans niet zonder heimat, denkt Marc Reugebrink. “Het is de plek waar je vandaan komt en waarnaar je heimwee kan hebben.” Voor de inwijkeling is dat het Twente waar hij opgroeide. Drieëntwintig jaar geleden kwam hij naar Gent, in 2010 bemachtigde hij de Belgische nationaliteit. Hij had het papiertje nog maar net binnen of hij schreef in een vlammend opiniestuk dat hij nooit een echte Belg zou zijn. Omdat zijn nieuwe landgenoten hem nooit als zodanig zouden erkennen. En omdat België nooit het land zou zijn waarnaar hij heimwee kon hebben.

Op het terras van een volks café vlak bij zijn huis, waar rond de middag eenzame mannen een pint pakken en vrouwen met een hondje op schoot zitten, zegt hij dat dit gevoel tien jaar later alleen maar sterker is geworden. “Ik denk dat het een persoonlijke aberratie is dat ik, als ik ergens ben, ik graag opgenomen wil worden, ergens thuis wil zijn, de schutkleur aannemen. In het begin heb ik wel geprobeerd. Maar op een gegeven moment voel je dat je nooit thuis zal raken op de manier waarop je dat van huis uit kent. Als ik nu naar Twente ga, herken ik meteen van alles. Dat heeft te maken met hoe de mensen met elkaar omgaan, hoe ze kijken, de gebaren die ze maken, datgene wat ik met de paplepel ingegoten heb gekregen. Niet dat ik daarnaar terugverlang, maar ik herken het en ik herken het ook in mijzelf. Hier stuit ik altijd op het verschil.”

Die botsing is niet alleen de universele ervaring van de migrant, het heeft ook te maken met de plek waar hij is aanbeland, vermoedt Reugebrink. “In Berlijn heb ik veel minder een gevoel van bijna onoverbrugbare afstand.” Hij kwam er voor het eerst toen de Muur er nog stond, in 1985. Voor het schrijven van het laatste deel van Het grote uitstel (2007), dat in Berlijn speelt en waarmee hij de Gouden Uil won, keerde hij er terug. Ook zijn nieuwe roman De vrouw die niet bestond, die in januari 2022 is uitgekomen, speelt zich deels in Berlijn af. “Zodra ik daar ben, word ik een ander mens”, zegt hij. “Na vijf minuten heb je een boeiend gesprek dat ergens over gaat. Geen geklets, geen slap geouwehoer, gewoon prettige mensen. Ik heb nooit van wereldsteden gehouden. Gent vond ik ideaal. Een stad, maar je raakt er niet verloren. Maar nu ik veel in Berlijn ben, heb ik bij Gent zoiets van: jezus, dit is een dorp.”

In dat dorp spoelde hij in 1998 aan. Zijn huwelijk was op de klippen gelopen. Stefan Hertmans, met wie hij in de redactie van literair tijdschrift De Gids zat, bood hem een etage in zijn huis in de wijk Patershol aan toen hij zelf voor een tijdje naar Zuid-Frankrijk vertrok. “Mijn dochter zit er wel, maar daar heb je geen last van, want die heeft een eigen verdieping”, zei Hertmans nog. Op een feestje had Reugebrink al met haar kennisgemaakt en daarna had zij hem aangeschreven met vragen over zijn werk. “Daar kwam een hele correspondentie uit voort, waarbij ik niet zoveel dacht omdat ik dat mezelf ook niet toestond”, vertelt Reugebrink. “Er was een groot leeftijdsverschil en de dochter van een vriend, dat doe je niet. Maar toen ik daar eenmaal gearriveerd was, heeft het nog vijf dagen geduurd.”

‘In Berlijn heb ik veel minder een gevoel van bijna onoverbrugbare afstand’

Bij dat huis in Patershol waar hij de liefde vond en waar eerder de collaborateur Willem Verhulst woonde, een geschiedenis die Stefan Hertmans in zijn jongste roman De opgang heeft geboekstaafd, wilde Reugebrink niet afspreken. “Dan wordt het allemaal zo betekenisvol. Bovendien zijn die plekken ook niet meer wat ze geweest zijn. Patershol was destijds al behoorlijk toeristisch, maar het is nu wel heel erg geworden. Oudburg was toen nog een fatsoenlijke Belgische straat met foutgeparkeerde auto’s en over de kinderkopjes ratelende diesels, nu is het een groot terras. Alles is gladgestreken en gegentrificeerd.”

Waarom Reugebrink in Gent wel en in Berlijn niet een niet te overbruggen cultuurverschil blijft ervaren, laat zich niet een-twee-drie uitleggen. “Ik probeer het weleens via de religie. Mijn geliefde en ik zijn allebei totaal niet religieus opgevoed, maar ik ben protestants en zij katholiek. Bij haar is alles omzwachteld, zij zegt zelden waar het op staat, terwijl ik een zwart-wit directheid heb. Ik kan mij herinneren dat ik toen ik voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging was op een congres een journaliste tegenkwam die de zaak moest modereren. Zij zei: ‘Ik ben wel een beetje bang van jou omdat jij altijd zo heftig bent.’ Zo ervaar ik mezelf helemaal niet. Zucht. Dat soort moeizaamheid altijd.”

Marc Reugebrink (schmierend): ‘Emotioneel gesproken irriteren ze me vaak, die Vlamingen. Zeg nu een keer waar het op staat, wat is dat toch altijd voor achterbaks gedoe hier, niemand zegt wat hij denkt’

Reugebrink zegt het met een relativerende lach. Hij waarschuwt voor grove onderscheidingen en generalisaties. Maar toch. Uiteindelijk zullen de Vlamingen hem als hij in het heetst van de strijd iets roept dat hen niet bevalt “Kaaskop, ga naar je eigen land” blijven toevoegen. ‘Je wordt voortdurend gewezen op het feit dat je er niet bij hoort, wat het moeilijk maakt een engagement te ontwikkelen voor dit land en bijvoorbeeld te zeggen: ik ga me sterk maken voor de Vlaamse literatuur.” Dat dit hem ergert, wil hij gerust bekennen. “Op het redelijke vlak kan ik het wel relativeren en er heus wel mee omgaan. Al heb ik hier ook veel lieve vrienden gemaakt, emotioneel gesproken irriteren ze me vaak, die Vlamingen. Zeg nu een keer waar het op staat, wat is dat toch altijd voor achterbaks gedoe hier, niemand zegt wat hij denkt. En als je zegt wat je denkt, kruipt iedereen in zijn schulp. Geen wonder dat dit land niet werkt.”

Hij brengt zijn tirade schmierend, alsof ze uit de mond van Max komt gerold, het personage uit zijn roman Het Belgisch huwelijk (2014). De Nederlander Max struikelt in zijn land van aankomst over dingen waar tot zijn verbazing niemand de wenkbrauwen bij ophaalt. De opkomst van extreemrechts. Het politieke gefoezel. De eeuwige communautaire twisten. De achterbaksheid. De omgang met hiërarchie. Het eeuwige slachtofferdenken. ‘De meest infernale dynamiek die ik heb vastgesteld is dat een Vlaming de Nederlander altijd boven zich stelt en zegt dat alles in Nederland beter is en vervolgens zegt dat de Nederlander arrogant is”, neemt de auteur het van zijn personage over. “Men organiseert hier zijn eigen slachtofferschap. Daar drijven de N-VA en het Vlaams Belang nog steeds op. Wij worden niet gehoord, wat onzin is als je kijkt naar hoe deze regio er economisch en ook cultureel aan toe is. Ik kan er echt niet tegen, die verrechtsing hier. Als Vlaams Belang en N-VA de meerderheid hebben, is het cordon sanitaire naar de vaantjes.”

En dan? “Verhuizen naar Berlijn dan maar”, zegt hij met een bulderende lach. Om er meteen relativerend aan toe te voegen: “En kijken of Alternative fur Deutschland daar wegblijft.” Voor de schrijver Rob van Essen, die op het punt staat zijn huis in Amsterdam op te zeggen en definitief naar Brussel te verkassen, heeft hij nog wel een advies: “Doe het niet, Rob!”

Rob van Essen: achterstallig onderhoud

Rob van Essen verbleef eind 2018 voor het eerst in Brussel als writer in residence. “Ik kreeg leefgeld en moest mijn best doen dat op te maken. Typisch Belgisch”, zegt de schrijver, spelend met het cliché van Hollandse zuinigheid. Hij besteedde de zes weken die hij in Brussel vertoefde vooral aan het eindeloos door de stad zwerven. Toen hij op een dag bovenaan op de Kunstberg aankwam, had hij een aha-erlebnis. “Ik dacht: verdomd, dit is heel anders”, zegt hij op een terras aan de voet van de berg. “Deze stad heeft een boven- en een benedenstad, met boven het Justitiepaleis en beneden de oude stad en de armoede. Je kan over de stad uitkijken zonder dat je daarvoor een toren moet beklimmen. Dat geeft een gelaagdheid die er in Amsterdam en ook in de rest van Nederland niet is. Daar denk je dat de hele samenleving egalitair is omdat die steden allemaal hetzelfde niveau hebben. Het is een gift om hier te kunnen ontdekken dat er ook andere werkelijkheden zijn. Als je nieuwe dingen over de wereld ontdekt, ontdek je ook nieuwe dingen over jezelf.”

Wat dan wel? “Ik denk dat ik mezelf meer ben gaan relativeren, omdat ik hier geen geschiedenis heb en hier maar ben komen aanwaaien zoals heel veel mensen in Brussel.” Aan de vooravond van de eerste coronalockdown in maart 2020 keerde hij er terug. Tussen hem en schrijfster Lize Spit was een prille relatie opgebloeid. “Als ik er nu niet naartoe ga, zien we elkaar een paar maanden niet”, dacht hij.

Hij ondervond aan den lijve dat Nederlanders en Vlamingen niet helemaal dezelfde taal spreken. “Toen ik Lize net kende, had ik haar een lange mail gestuurd. Ze had gereageerd met: ‘Ik heb nu geen tijd om te antwoorden, maar ik heb hier wel een aantal bedenkingen bij.’ Ik dacht: o shit, wat kan ze nu verkeerd hebben opgevat? Bedenkingen is hier blijkbaar een veel neutralere term dan bij ons.” Dat er niet alleen taal- maar ook cultuurverschillen zijn, erkent hij volmondig, maar voor de stereotypen wil hij waken. “Landen zijn niet in clichés te vatten. Als mensen mij links sturen van de site Ugly Belgian Houses, dan denk ik: dat is flauw. Daar ben ik al te veel een Belgische chauvinist voor geworden. Je moet de dingen leren lezen. Zoals een aangeboren bescheidenheid. Belgen praten zachter dan Nederlanders, nemen minder ruimte in. Ik merkte dat de vrienden van Lize mij zelden aankeken. Ik dacht: zien ze mij niet, vinden ze me te oud en mijn aanwezigheid niet prettig? Maar dat is een voorzichtigheid of omzichtigheid die je in Nederland niet kent.”

Rob van Essen over Brussel: ‘Niemand vraagt wat ik hier kom doen of hoelang ik hier blijf. Dat zou je als een gebrek aan interesse kunnen beschouwen, maar het is meer een soort acceptatie’

Welkom voelt hij zich wel, de ervaring altijd de Hollander te zijn, kent hij eigenlijk niet. “Brussel is zo’n smeltkroes dat dit hier minder speelt. Niemand vraagt wat ik hier kom doen of hoelang ik hier blijf. Dat zou je als een gebrek aan interesse kunnen beschouwen, maar het is meer een soort acceptatie. Juist omdat het zo’n diverse stad is met zoveel verschillende aspecten maakt niemand zich druk over iemand die hier iets komt doen of over straat loopt. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik mijn plekje moet verdedigen.”

In de romans van Van Essen zijn Amsterdam en de streek waar hij opgroeide, Twente, vaak het decor. Maar hij kan zich wel voorstellen dat zijn werk op een zeker moment de sfeer van Brussel zal ademen. “De stad waarin mijn nieuwe roman Miniapolis (2021) speelt is een soort van Brussel, met een Noordstation en zwervers bij het station en in tunnels, maar wel met een grote rivier die erdoor loopt. Dat Brussel als decor mijn werk binnendruppelt, vind ik eigenlijk wel prettig. Het verandert mijn werk op een manier die ik niet had kunnen voorspellen. Dit is misschien veel meer een generieke stad dan Amsterdam, dat veel netter en aangeharkter is. Brussel is groter, chaotischer en rauwer. Bij ons in de buurt zijn er straten waar ik ook overdag niet moet rondlopen. Die heb je in Amsterdam hoogstens ver van het centrum. Hier zit je veel meer midden in de wereld.”

Tot voor kort woonde Van Essen in De Pijp, ooit een Amsterdamse volksbuurt, die nu in hoog tempo ‘veryupt’. “Op een gegeven moment zie je de eerste Coffee Company komen”, vertelt Van Essen. “Even later zijn er drie op loopafstand van je huis. Alle bruine kroegen en ijzerwinkels gaan weg. Daar kwam ik ook nooit. Al is het een logisch proces, het is niet echt. Dat heb ik hier ook met die voetgangerszone. De eerste keer dat ik in Brussel was had je daar nog auto’s en trams. Nu denk ik: daar is de stad niet voor bedoeld. Tot je je realiseert dat die stad ouder is dan de auto. Je hebt de neiging je eigen periode als een mini-eeuwigheid te beschouwen. Je kan niet anders dan dat gevoel dat de wereld niet langer echt is relativeren. Anders denk je dat je zelf de maatstaf der dingen bent. Als er een zin van het leven is, is het om dingen in je omgeving te zien veranderen. Het is relativerend om te zien dat wat je doet tijdgebonden is, al hoop je natuurlijk altijd dat iets van wat je doet de tijd overstijgt, dat er iemand in de toekomst je verhaal begrijpt of althans goed vindt, wat twee verschillende dingen zijn.”

In Brussel wonen is een les in bescheidenheid. In 2019 won Van Essen de Libris Literatuur Prijs met zijn roman De goede zoon. Onder critici gold hij allang als een belangrijk auteur, maar nu had hij ook een bestseller op zijn naam. Hier is hij de status van bekend en gerespecteerd schrijver kwijt. Als “een vorm van achterstallig onderhoud” ervaart hij de kennismaking met een nieuwe stad, waarin hij een onbekende vreemde is. “Ik heb mij veertig jaar lang Amsterdam eigen gemaakt. Natuurlijk moet je ook daar hoe je naar de wereld kijkt regelmatig herzien, zeker omdat ik zo’n streng christelijke opvoeding heb gehad. Maar hier wonen is een wake-upcall, o ja, deze wereld bestaat ook nog. Het is een uitdaging om je daarin te handhaven en een manier te vinden om erin rond te kijken.”

In een bericht waarin de schrijver reageerde op een uitnodiging aan dit verhaal mee te werken, schreef hij: “Dit land is niet meteen te doorgronden.” Is dat niet een uitspraak die je evengoed over Bulgarije of Burundi kunt doen? “Dat geldt voor elk land, maar voor België in het bijzonder”, denkt Van Essen. “Het is een land dat uit twee landen bestaat waar drie verschillende talen worden gesproken. Het lijkt bedrieglijk veel op Nederland. Je kan je in de taal redden, je weet iets van de geschiedenis, het is zelfs ooit onderdeel geweest van Nederland. Toch is het totaal anders.”

Rob van Essen: ‘Nederlanders hebben nog steeds het beeld gidsland te zijn. Maar als puntje bij paaltje komt, zijn de chaos en corruptie net zo groot. Misschien hebben de Belgen een wat realistischer zelfbeeld’

Daar speelt religie wel voor een stuk in mee, vermoedt de schrijver, die zich losmaakte van de zwartekousenkerk van zijn ouders. “De erfzonde is hier wat verder weg. Er is minder dodelijke ernst, minder zwaarte. Dit is een land dat ertoe uitnodigt de regels creatief te interpreteren, ook door al die bestuurslagen, die elkaar zo vaak overkoepelen dat je ze niet helemaal serieus kan nemen.” Veel Nederlanders menen dat zij de zaakjes zeker in bestuurlijk opzicht beter op orde hebben. Maar hun superioriteitsgevoel vindt Van Essen misplaatst. “Nederlanders hebben nog steeds het beeld gidsland te zijn. Maar als puntje bij paaltje komt, zijn de chaos en corruptie net zo groot. Misschien hebben de Belgen een wat realistischer zelfbeeld. Dat is wellicht ook het katholieke, dat je wat rustiger bent en niet streeft naar een heilstaat omdat je weet dat je die toch niet kan bereiken. Simon Carmiggelt heeft ooit gezegd: als je door Amsterdam loopt, zie je dat het anarchisme redelijk werkt. Ik denk dat dit veel beter op Brussel en België van toepassing is. Het hangt met plakband aan elkaar. Dat verleidt de inwoners zelf het heft in handen te nemen. Bij ons in de buurt doen mensen ontzettend hun best om de wijk met bakken met gevelplanten leefbaarder te maken. Het mooie van zo’n rauwe, harde stad is dat je de zachte plekken veel meer gaat waarderen.”

Dit artikel is eerder verschenen in het laatste nummer (najaar 2021) van het tijdschrift Wilfried. De raconteur van België, dat voortaan alleen nog in het Frans verschijnt. Lees HIER ook het gesprek dat Tomas Vanheste had met drie Vlaamse schrijvers die naar Nederland verhuisden: Ivo Victoria, Geert Buelens en Sarah Meuleman.
Reeks

Nieuwkomers in het Noorden

Uitgeweken

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.