Publicaties
Het is tijd om Vlaamse dorpen een echte kans te geven
0 Reacties
© Christian Lue / Unsplash
© Christian Lue / Unsplash © Christian Lue / Unsplash
Wat met het platteland?
maatschappij

Het is tijd om Vlaamse dorpen een echte kans te geven

Als we over de toekomst praten, praten we haast altijd over steden en bijna nooit over dorpen. Dat is zonde, schrijft de jonge journalist Jasper Van Loy in zijn boek Onder de kerktoren. Waarom Vlaamse dorpen toekomst hebben, dat in juni 2021 bij Davidsfonds verschijnt. Vlaanderen zal zijn dorpen de volgende decennia juist erg nodig hebben, betoogt hij in deze voorpublicatie.

Ik kom uit een dorp in de Antwerpse Kempen dat Oevel heet en er ongeveer uitziet zoals u denkt dat een dorp eruitziet. Een plein in het midden van het dorp, een kerk in het midden van het plein. Voor de kerk staat een frituur, achter de kerk vind je de parochiezaal en de lokalen van de Chiro, de jeugdbeweging waar ik achttien jaar lang mijn zondagen heb doorgebracht. Als ik van bij mijn ouders thuis richting de kerk fiets en voor het plein naar rechts draai, is het om mijn oma te bezoeken. Als ik voorbij het plein naar rechts draai, is het om iets te gaan drinken in Café Dobbeldoes, mijn stamkroeg sinds jaar en dag.

Ik overdrijf maar een beetje als ik zeg dat mijn dorp de eerste achttien jaar van mijn leven aanvoelde als de wereld, tot ik ging studeren in Leuven en zoals elke adolescent een poging ondernam om van de wereld mijn dorp te maken. Vanop mijn studentenkamer proefde ik voor het eerst van het stadsleven en dat smaakte me zo goed dat ik op het einde van mijn laatste academiejaar wilde plannen begon te smeden met mijn beste vriend Polle om te gaan cohousen in de stad. Leuven lag aan onze voeten, Oevel was verder weg dan ooit.

Mijn dorp voelde de eerste achttien jaar van mijn leven aan als de wereld

In de zomer van 2016 studeerde ik af, maar verhuizen deed ik niet. Achteraf heb ik me weleens afgevraagd waarom, maar soms gaan de dingen zoals ze gaan en dat is niet altijd slecht. Polle ging samenwonen met de vrouw van zijn leven, ik raakte met de trein op mijn werk en voelde me best thuis in Hotel Mama. Bovendien had ik het dorpsleven herontdekt: ik smeet me met hernieuwde energie op mijn taken als Chiroleider en ging nog liever naar de Dobbeldoes dan ervoor.

Baksteen ligt op de maag

Toevallig hoorde ik in die periode voor het eerst over het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen ofwel de “betonstop”, de ambitie van de Vlaamse overheid om vanaf 2040 geen nieuwe groene ruimte meer vol te bouwen. Een uitdaging, zeker als je weet dat er tussen 2013 en 2019 elke dag 5,1 hectare verdween. De betonstop werd op 1 december 2016 voorgesteld op de Vlaamse klimaattop en haalde die dag ook de voorpagina van De Morgen, samen met enkele andere voorstellen van toenmalig Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck om op een duurzamere manier met onze ruimte om te gaan. De kop boven het stuk? “We moeten allemaal naar de stad.”

Die uitspraak raakte me en ze moet vele andere trotse dorpsbewoners ook hebben geraakt, want ze is sindsdien altijd aan Van Broeck blijven kleven en zette de betonstop vol in de wind. De Vlaming hoort niet graag het woord “moeten” als het over zijn woning gaat. Hij wil zijn zin kunnen doen met de baksteen die in zijn maag zit. Dat de ruimtelijke ordening stilaan onbestaande is, vergezichten worden verborgen achter lelijke huizenlinten en de baksteen kortom meer en meer op onze maag is gaan liggen, lijkt niet uit te maken.

Het zou fout zijn om de schuld van onze ruimtelijke wanorde in de schoenen te schuiven van iedereen die de afgelopen zeventig jaar een huis heeft gebouwd in Vlaanderen. Daarvoor zijn de plompverloren verkavelingen en de lintbebouwing te veel een gevolg van politieke beslissingen.

Om dat te begrijpen, moeten we even terug naar de industriële revolutie. Plattelandsbewoners verlieten toen huis en haard voor een job in een van de nieuwe fabrieken die als paddenstoelen uit de grond rezen in en nabij de steden. Die kregen er ineens een pak inwoners bij, maar kregen die niet allemaal gehuisvest. De nieuwe stedelingen leefden krap, vuil en ongezond. De straten waren onrustig, cholera had er vrij spel.

De politiek was verdeeld over hoe de problemen van die aanzwellende steden moesten worden opgelost. In grote lijnen was het zo dat de socialisten vooral de leefomstandigheden in de steden wilden verbeteren en wilden inzetten op sociale woningen, terwijl de katholieken de arbeiders op het platteland wilden laten wonen en naar hun werk wilden laten pendelen. De liberalen steunden dan weer op een vrij stedelijk kiespubliek.

Uiteindelijk won het “katholieke” idee, ook gesteund door een deel van de socialisten, het pleit. Het Belgische spoornetwerk werd uitgebreid met buurtspoorwegen, die de zogenaamde “boerentram” naar uithoeken van het land bracht waar de trein niet geraakte. In 1870 wordt het goedkope weekabonnement voor arbeiders ingevoerd, wat later volgen speciale wagens voor hen of “werkmanstreinen”. Begin twintigste eeuw raakt de fiets ingeburgerd en zo heeft de Vlaming alles wat hij nodig heeft om op zijn werk te geraken. Iedereen kan dus met andere woorden gaan wonen waar hij wil. In de jaren die volgen, komen er wetten die individueel woningbezit verder aanmoedigen, zoals de wet-Moyersoen in 1922, die de budgetten voor sociale woningbouw inperkt ten voordele van particuliere plannen, maar een wet op de ruimtelijke ordening blijft uit.

Wet per wet werd de versnippering van de Vlaamse grond bestendigd, iets wat tot op vandaag grote gevolgen heeft

Na de Tweede Wereldoorlog, wanneer België moet worden heropgebouwd, volgt de fameuze wet van het christendemocratische Kamerlid Alfred De Taeye. Hij roept een stelsel van premies en leningen in het leven voor mensen die hun eigen woning willen bouwen of kopen. De bedoeling is om de nieuwe woningen gelijkmatig over het land te verspreiden, maar dat mislukt. Mensen kiezen massaal voor kleine en middelgrote gemeenten in het centrum van het land, die hun nieuwe inwoners verwelkomen met nog extra premies.

In 1962 krijgt België een wet op de ruimtelijke ordening, maar het is dan eigenlijk al te laat. Bovendien komt de verantwoordelijkheid voor het uitreiken van bouwvergunningen bij de gemeenten te liggen. Die proberen dat zo goed mogelijk te doen, maar laten ook vaak begaan en morrelen regelmatig aan de bestaande kaarten om deze of gene inwoner een plezier te doen. Pas in de tweede helft van de jaren zeventig wordt de wet omgezet in gewestplannen, duidelijke beelden van hoe Vlaanderen en België er zouden moeten uitzien. Helaas maken die geen einde aan de ruimtelijke verbrokkeling.

Zo werd de versnippering van de Vlaamse grond wet per wet bestendigd, iets wat tot op vandaag grote gevolgen heeft. Verspreid wonen betekent dat we een groter gebied van leidingen, riolen, wegen en andere infrastructuur moeten voorzien, om maar iets te noemen.

Het wordt met andere woorden tijd dat we iets doen aan de ruimtelijke wanorde in Vlaanderen, de vraag is alleen hoe. Allemaal naar de stad trekken, zoals de titel van De Morgen suggereert, zou voor veel mensen een mentale en fysieke omwenteling inhouden: volgens een enquête van het Vlaams Agentschap Wonen uit 2019 wil amper 13 procent in de stad wonen. Dat is niet gek als je weet dat de generaties van mijn ouders en grootouders massaal naar het platteland zijn gesubsidieerd.

Het dorp als oplossing

Hier komt het punt waarop ik moet toegeven dat ik daarnet bewust niet eerlijk was over Leo Van Broeck. Die provocerende titel, “We moeten allemaal naar de stad”, is namelijk een fout citaat. In het bijbehorende artikel heeft de architect het consequent over kernen, niet alleen over steden. Zo zegt hij bijvoorbeeld: “Als we mensen [...] willen overtuigen om in een stad of dorpskern te gaan wonen, dan zullen we hen het beste van twee werelden moeten geven en vooral de pretfactor van wonen in de stad verhogen.” Of nog, als hij het heeft over hoe bouwpromotoren kunnen bijdragen: “We moeten naar meer grootschalige projecten van tientallen groepen woningen, dicht bij de dorps- of stadskernen.”

Die zin was een van de kiemen voor mijn boek Onder de kerktoren. Waarom Vlaamse dorpen toekomst hebben. Over die toekomst moeten we dringend eens praten, want in Vlaanderen kunnen de dorpen naar mijn mening veel problemen oplossen.

Stel dat we de bebouwing in het gebied buiten de stad – dat zijn dus de dorpen, maar ook de losse verkavelingen en de lintbebouwing – kunnen concentreren in sterke dorpskernen, dan hebben we een enorme troef in handen. Dan combineren we namelijk de woondroom van veel Vlamingen – niet in een stad wonen – met het georganiseerde van de stad en kunnen we veel open ruimte terug aan de natuur geven. Zei ik aan de natuur? Ik bedoel aan onszelf. Klinkt dat niet als muziek in de oren, zeker in een tijd waarin een niet nader genoemd virus ons massaal de groene ruimte heeft laten herontdekken?

Dorpen in Vlaanderen hebben troeven die dorpen in de rest van Europa niet hebben

Bovendien zou het dorpsleven ook beter georganiseerd kunnen worden. Op het gebied van openbaar vervoer, om maar iets te noemen. Als een bus niet van wijk naar verkaveling naar landweg moet slingeren, maar enkel of toch vooral in dorpskernen moet stoppen, zal hij niet alleen stipter rijden, maar kan hij ook vaker passeren.

Dorpen in Vlaanderen hebben troeven die dorpen in de rest van Europa niet hebben. Een dorp ligt hier meestal dicht bij een ander dorp, maar ook niet zo ver van de dichtstbijzijnde stad. Dat maakt dat veel dorpen die niet alle voorzieningen hebben toch heel leefbaar zijn. Bovendien heeft België nog steeds een van de dichtste treinnetwerken ter wereld en blijven veel dorpen dus relatief goed bereikbaar. Dat alles maakt dat het leeuwendeel van de dorpen in Vlaanderen niet leegloopt, zoals dat bijvoorbeeld in Spanje of Oost-Europa wel het geval is. Ter illustratie haal ik er graag de enquête van het Vlaams Agentschap Wonen bij waar ik eerder in dit stuk over sprak: terwijl maar 13 procent het liefst in een stadskern wil wonen, kiest 20 procent voor een dorpskern. Dat is geen hemelsbreed verschil, maar het verschil is er wel.

Kwetsbaar dorp

Tegelijk is het dorp de laatste halve eeuw ontzettend kwetsbaar geworden. Dat heeft te maken met de veranderde houding van de dorpeling tegenover zijn dorp. In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog hadden ze elkaar nodig: het dorp leefde bij de gratie van zijn inwoners, maar de inwoners leefden ook bij gratie van het dorp. Wat je niet in het dorp kon vinden, dat had je dan maar niet, tenzij je ervoor naar de dichtstbijzijnde stad wilde fietsen. Nu heeft de doorsnee dorpeling een auto en is hij dus mobieler. Dat maakt dat hij het dorp minder nodig heeft. Evengoed kan hij zijn boodschappen doen in de supermarkt op weg naar huis of dertig kilometer verder gaan lunchen. Het dorp heeft de dorpeling natuurlijk wel nog steeds nodig, meer dan de stad de stedeling nodig heeft. Naast bewoners heeft een stad ook toeristen en forenzen, iets waar een dorp niet altijd op kan rekenen. Als de inwoners van een dorp niet bij de plaatselijke bakker en slager kopen, dreigt voor hen het faillissement. Als alle kinderen twee dorpen verder naar school gaan, wordt de school in hun eigen dorp overbodig.

Het Vlaamse dorp worstelt niet enkel met sociale en economische vraagstukken, het heeft ook een imagoprobleem. Zoals we de stad nog altijd als verdorven zien, zo zien we het dorp nog altijd als een bekrompen gemeenschap, waar je met de nek wordt aangekeken als je twee dorpen verder geboren bent en waar achter elke minzame begroeting een vileine roddel verscholen zit. Het enggeestige dorp is de rode draad die De metsiers van Hugo Claus verbindt met Het smelt van Lize Spit, maar evengoed met tv-series als Den elfde van den elfde en Van vlees en bloed.

Wie nieuw is – denk aan nieuweling Freddy De Vadder in het fictieve dorpje Bevergem uit de gelijknamige tv-serie – wordt bijna buitengekeken. Wie van de norm afwijkt heeft een probleem en houdt de schone schijn krampachtig op. De reactie van slagersvrouw Liliane uit Van vlees en bloed, die in een volle winkel de minnares van haar echtgenoot André strak in de ogen kijkt en haar ijzig kalm vertelt dat zij en André het hebben uitgepraat, “zoals volwassen mensen”: dat is het clichédorp ten voeten uit.

Wie positief over het dorp wil spreken, grijpt meestal naar een andere platitude terug: het onbezoedelde dorp, dat ik het beste ken uit ‘Het dorp’ van Wim Sonneveld. De cabaretier mijmert over paardenkarren die op de keien ratelen, loopt niet al te hoog op met de komst van de televisie en wordt melancholiek van tieners die meejoelen met beatmuziek. In Sonnevelds lied is het dorp een kleine woonkern, midden in het groen en weg van de moderniteit, waar beton zijn intrede nog moet doen en de kinderen nog over een zandweg naar school wandelen. Het doorsnee dorp ziet er vandaag echt niet meer zo uit, als het er al ooit zo heeft uitgezien.

Trek de dorpen open

Bekrompenheid of nostalgie, verder geraken we ook in 2021 nog altijd niet. Beide clichés helpen het dorp van vandaag niet vooruit. Wie zich laat leiden door een geïdealiseerd beeld van het dorp zoals het de afgelopen vijftig jaar niet meer heeft bestaan, zal het dorp van vandaag met lede ogen aanzien en elke verandering als een verlies beschouwen. Dat is jammer, want wie iets wil aanvangen met zijn, haar of hun dorp, zal toch moeten durven nadenken over dingen die tot nog toe niet eigen waren aan dorpen, zoals deelvervoer of cohousing.

Bekrompenheid of nostalgie: beide clichés helpen het dorp van vandaag niet vooruit

Ook het model-Claus is nefast voor de toekomst van dorpen. Door dorpen neer te zetten als bekrompen, geef je ze namelijk op. We moeten dorpen niet afsluiten, maar opentrekken. We moeten dorpelingen duidelijk maken – nogmaals, die zijn er in Vlaanderen meer dan stedelingen – dat ze ook nodig zijn om Vlaanderen een mooie toekomst te geven.

Het is niet omdat dorpen belangrijk zijn en blijven dat ze daarmee gered zijn. Veel zal afhangen van wat overheden, maar ook dorpelingen zelf de komende jaren zullen doen. Heeft de coronacrisis een heropleving van de lokale winkelier ingezet? Gaan we eindelijk slimmer bouwen in en rond woonkernen of gaan we Vlaanderen verharden tot het laatste grassprietje in beton gegoten is? Maken we ruzie over leegstaande kerken en andere gebouwen of geven we ze een nieuwe rol die de gemeenschap ten goede komt? Ontvangen we nieuwe ideeën met open armen of stikken we nog liever in nostalgie? Ik heb geen antwoorden op die vragen, maar durf wel hoopvol te zijn op basis van de vele gesprekken die ik voor mijn boek heb gehad.

Voor alle duidelijkheid: ik vind het nog steeds oké als u meer van de steden bent, hoor. De steden die inzetten op parken en ander groen en die inspanningen doen om de auto uit het centrum te bannen. De steden waar het ene deelplatform na het andere wordt opgericht. De steden die er alles aan doen om socialer, groener en menselijker te worden. De steden die, kortom, almaar dorpser worden.

Onder de kerktoren. Waarom Vlaamse dorpen toekomst hebben van Jasper Van Loy verschijnt op 15 juni 2021 bij uitgeverij Davidsfonds (Leuven).

Reeks

Wat met het platteland?

De roep van de kievit

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.