Publicaties
Hoe doeltreffend is ons milieubeleid?
0 Reacties
maatschappij

Hoe doeltreffend is ons milieubeleid?

Bij zijn emeritaat als hoogleraar Milieu en Beleid overschouwt Pieter Leroy de doeltreffendheid van veertig jaar milieubeleid. Milieuvraagstukken wijzen op een crisis in de relatie tussen de mens en de rest van de natuur. Sinds de moderniteit behandelen we de niet-humane natuur met weinig bescheidenheid. Integendeel, we kennen haar alleen waarde toe als die in winstkansen uit te drukken is. Dat gebrek aan bescheidenheid en zelfbeheersing tegenover de natuur is een langetermijntrend die diep in onze instituties zit. Ons milieubeleid is daar niet tegen opgewassen, want het gaat nauwelijks over de kern van politiek: waardetoekenning. Bovendien graaft het milieubeleid niet voldoende diep om die structurele trends te keren.

Het is oktober 2004 als mijn vrouw en ik de Zuid-Franse stad Albi bezoeken. De kathedraal valt ons, vooral aan de buitenkant, flink tegen: is dit een kerk of een burcht, een uiting van geloof of een ontplooiing van macht? ’s Anderendaags vraagt de gastvrouw van onze chambre d’hôtes naar onze indrukken. Wij uiten onze twijfels, voorzichtig en diplomatiek, bedacht op mogelijk chauvinisme van haar kant. Maar zij verwoordt haar conclusie resoluut: “Il lui manque un peu de modestie.”

De kathedraal van Albi is vanaf 1282 gebouwd op initiatief van Bernard de Castanet. Die was door de paus én de koning gestuurd om de laatste haarden van Kathaars verzet uit te roeien en om de stad Albi en het Occitaanse ommeland onder centraal bestuur te brengen. Hoewel hij een ervaren inquisiteur was, zou dat Bernard niet lukken: hij werd enkele jaren later door de burgers van Albi verjaagd. De kathedraal is gebleven, zonder modestie.

Ik contrasteer Albi met Sénanque, één van de abdijen van de cisterciënzers in de Provence, gebouwd rondom 1150. Hier was een andere Bernard actief: Bernardus van Clairvaux. Hij hechtte zeer aan de kardinale deugden en voor hem was modestie de belangrijkste daarvan. Geen protserige torens, niet de pracht en praal van Cluny, geen kleurrijke glasramen, geen tapijten en andere versierselen. Soberheid troef. Met het klooster als intiem en contemplatief middelpunt, en kerk, kapittelzaal, refectorium, dormitorium en bibliotheek daarrond. Behalve door de gebouwen was ik van meet af geïntrigeerd door de locatiekeuze: een vallei in de periferie, uitgezocht op basis van de beschikbaarheid van drinkwater, van bos, en dus van hout, vruchtbare grond en bewerkbare steen. De cisterciënzers geven daarmee, behalve van hun hang naar bescheidenheid, blijk van hun gevoeligheid voor de fysieke omgeving.

De menselijke grip over de dingen

Il lui manque un peu de modestie. Met die uitspraak stapte onze gastvrouw in een lange ethische en filosofische traditie. Aristoteles noemde la modestie in een rijtje van elf of twaalf deugden. Maar dat was in de twaalfde eeuw in Europa niet bekend. Veel bekender was Cicero’s rijtje van vier: prudentia, iustitia, fortitudo en temperantia (of modestia). Die vier vormden wat we nu een “succesvol discours” zouden noemen: er is tussen de vierde en de twaalfde eeuw eindeloos over gediscussieerd door kerkvaders en scholastici. De kerk trok de klassieke, deels stoïcijnse principes naar zich toe en Bernardus van Clairvaux, zelf niet echt bescheiden, claimde een christelijk monopolie over de ethiek. Dat was, in vier zinnen, de modestie vóór Sénanque.

Succesvol discours? Dat roept minstens twee vragen op. Hoeveel invloed had die modestie op het feitelijke leven van Aristoteles tot de twaalfde eeuw? Helaas, we weten het niet goed. En in welke mate is een ethisch principe, in dit geval la modestie, überhaupt sturend of volgend? Natuurlijk kan een ethisch principe mensen en groepen inspireren, en natuurlijk kunnen gebouwen die principes materialiseren en reproduceren. Toch ben ik geneigd de materie een grotere sturingskracht toe te kennen dan de ethiek.

Na de twaalfde eeuw nemen de steden, andere veel meer dan Albi, het intellectuele en economische primaat over. In onder meer Italië, Bourgondië en Vlaanderen ontstaat een nieuwe wereld met steden als militair-economisch-politieke knooppunten. Na circa 1400 is er nauwelijks nog discussie over la modestie. Die lijkt verdampt, verdwenen als ethische categorie. Verstedelijking en modernisering maken geleidelijk een ander discours dominant: dat van de menselijke grip over de dingen. En dat heeft gevolgen voor het milieu.

Meer nog dan de mens was diens omgeving tot perfectie verbeterbaar

De kern van de moderniteit is het beheersen van de capriolen van de natuur. De mens onderscheidde zichzelf graag van de rest van de natuur, en die moest worden geordend en getemd. Die natuur werd ook geïnstrumentaliseerd. Vooral wetenschap en techniek maakten die toenemende grip materieel mogelijk. En die toenemende grip op de natuur is ook hoorbaar in het discours: eind zestiende eeuw meent Francis Bacon dat de wereld gemaakt is voor de mensen; een halve eeuw later noemt Descartes de mens de heerser van de wereld. De achttiende eeuw was doortrokken van de perfectibilité. Van de mens, in de eerste plaats. Er was discussie over of dat met Hobbes moest door een strenge heerser of dat je, Adam Smith volgend, de markt beschouwde als het belangrijkste mechanisme voor het temperen van menselijke hebzucht – later meer daarover.

Maar meer nog dan de mens was diens omgeving tot perfectie verbeterbaar. Van Descartes via Montesquieu en Condorcet loopt er een lijn naar de negentiende eeuw met De Tocqueville, die zowaar meende dat het Amerikaanse landschap zo mooi was dankzij menselijk ingrijpen. En met het saint-simonisme is in de lange negentiende eeuw in Frankrijk en in Europa behoorlijk wat natuur aangepakt – en verloren gegaan.

Tegenstemmen waren er weinig. Rousseau sla ik over, Alexander von Humboldt is veel interessanter. Hij zag, op de brug tussen de achttiende en de negentiende eeuw, heel goed dat de relatie tussen mens en milieu, ondanks de modernisering, wederkerig was en bleef, van individueel en lokaal tot collectief en mondiaal. In plaats van de cartesiaanse scheiding tussen de mens en al het andere zag hij een graduele schakering van menselijke en niet-menselijke natuur in voortdurende sociaal-ecologische interactie. Dat geheel was gevoelig en broos, elk ingrijpen veroorzaakte een impact en diep ingrijpen bleef niet straffeloos. Hij had een grote wetenschappelijke invloed, maar Von Humboldts politieke invloed bleef beperkt, ondanks zijn gesprekken met de toenmalige groten der aarde.

Een ecologische én politieke voetafdruk

Op dit punt moet ik u het begrip ecologische reflexiviteit uitleggen. De kern is drieledig. Stap één: als je als mens of samenleving iets doet in de natuur, doet de natuur iets terug, de reflex. Stap twee: die reflex leidt tot menselijke reflectie. Stap drie: die reflectie leidt tot respons: een reactie van de mens op wat de natuur doet. Sénanque getuigt van een bepaalde ecologische reflexiviteit: zich bewust van de noodzakelijke grondstoffen (drinkwater, hout, landbouwgrond en steen) inspireerde la modestie de cisterciënzers ertoe die omgeving met zo min mogelijk impact naar hun hand te zetten. Die ethiek en kennis leidden tot een bescheiden ingreep.

Maar ecologische reflexiviteit kan ook een andere richting uit. Beter dan met Albi kan ik dat met Venetië illustreren. Intuïtief begrijpen wij allemaal de geografische kwetsbaarheid van die stad. In La méditerranée laat de Franse historicus Fernand Braudel zien hoe Venetië toch bijna twee eeuwen de scepter zwaaide over de Middellandse Zee. Ook dat getuigt van ecologische reflexiviteit, in dit geval door een verregaande controle over de natuurlijke grondstoffen. Andere historici beschrijven in detail het moderne, uitgekiende Venetiaanse systeem van bos- en houtmanagement. De stad had een gedetailleerde boekhouding van de hoeveelheid en de soorten hout die men de komende decennia nodig had voor o.a. bouw, scheepsbouw, energie en waterveiligheid. Tot diep in de Alpen en tot ver achter de kusten van Dalmatië werden hout en land geroofd. Braudel toont dus, lang vóórdat het woord gemeengoed was, de ecologische voetafdruk van de moderne stad. Dat was tegelijkertijd een politieke voetafdruk.

Wat Venetië deed, is ecologisch reflexief, maar bepaald niet door modestie gedreven. Andere Italiaanse steden deden trouwens hetzelfde, vooral met het oog op de vele oorlogen die ze met elkaar voerden. Dat was, zoals elke oorlog, een geweldige aanslag op natuur en milieu, want: “Als twee olifanten vechten, heeft het gras daar het meeste onder te lijden.” Via het mercantilisme en de zogeheten économie de la nature hebben de nationale staten de ecologische reflexiviteit van het Venetiaanse type overgenomen en geperfectioneerd. Die controle over natuurlijke grondstoffen heeft tot vele oorlogen geleid en ook die hebben de omgeving veel schade berokkend. De huidige handelsoorlog is een voortzetting daarvan, met andere middelen maar vergelijkbare gevolgen.

Er is nog een ander moment van ecologische reflexiviteit. Als vanaf 1800 water en lucht vervuild geraken door de toenemende industrialisatie, maken allerlei medici zich zorgen over die circumfusa. Circumfusa is een begrip dat Hippocrates al gebruikte als aanduiding voor water, lucht en “de omgeving” voor zover ze van belang zijn voor de gezondheid van mensen. Die medici inspireerden de publieke-hygiënebeweging, en die leidde op haar beurt tot allerlei infrastructurele maatregelen: riolering, afvalverwijdering en drinkwatervoorziening, en tot de voorlopers van onze milieu- of omgevingsvergunning. Dat alles had een sterk antropocentrisch motief: de volksgezondheid. Niets mis mee, maar het was geen milieubeleid.

Ook het milieubeleid is sterk gedreven door antropocentrisme

Pas vanaf het laatste kwart van de twintigste eeuw heeft een klein deel van de ecologische reflexiviteit inhoud gekregen in het milieubeleid. Inhoudelijk is ook dat sterk gedreven door antropocentrisme, met normen gebaseerd op de volksgezondheid. Organisatorisch en strategisch ontwikkelde het zich als een nieuw beleidsveld voor de verzorgingsstaat. Met kennis uit de natuurwetenschap kregen we begrip van processen als verzuring en vermesting; met technologie en met inzichten uit het management en het recht kregen we ook grip op die processen. Dat amalgaam van kennis en beheer leidde tot een planmatig milieubeleid. Het lag aan de basis van zowel de Nederlandse als de sterk daarop geïnspireerde Vlaamse milieubeleidsplannen: met feiten gedocumenteerd en strategisch goed doordacht milieubeleid zou de oplossing bieden.

Let wel: in het eerste Milieubeleidsplan stond dat we de belangrijke milieuproblemen binnen één generatie, vijfentwintig jaar, opgelost zouden hebben. Die dwaling kan twee oorzaken hebben: óf we hebben ons in de ernst van het probleem vergist, óf we hadden last van sturingspretentie, óf uiteraard beide. Il nous manquait un peu de modestie.

Milieubeleidswetenschappers hebben ijverig aan dat beleid proberen bij te dragen, met analyses, evaluaties en adviezen. Er is veel en goed werk verricht aan allerlei benaderingen: instrumententheorie, netwerkbenadering, configuratiebenadering, gebiedsgericht beleid, discursieve analyse, publiek-private partnerships, arrangementenbenadering, institutionele analyse en andere. De recentste en controversiële loten aan de stam zijn het transitiemanagement en de behavioural insights. Ook al schreven wij over de beperkte governance capacity, aan sturingsoptimisme was er geen gebrek. Verder valt op: veel op consensus gerichte bestuurskunde, weinig politicologische analyses, nog minder politiek-ecologische analyses.

Systemische milieuvraagstukken

Mijn loopbaan als hoogleraar Milieu en Beleid loopt parallel aan veertig jaar milieubeleid. Ik geniet bovendien het voorrecht de afgelopen vijfentwintig jaar als onderzoeker, adviseur en reviewer van dichtbij betrokken te zijn bij milieurapporten, milieubalansen en milieuverkenningen in drie Europese landen.

Wie veertig jaar milieubeleid evalueert, kan niet anders dan zeer gematigd positief zijn over de doeltreffendheid ervan. De conclusies uit Den Haag, Parijs en Brussel zijn zeer vergelijkbaar. Ten eerste: vervuiling van water, bodem en lucht is teruggedrongen tot ruim beneden de waarden die bedreigend zijn voor de menselijke gezondheid. Voor fijn stof en geluid en voor de cocktail van al die verontreiniging bij elkaar is dat trouwens níét zo. Die klassieke circumfusa blijven – op één na: roken – overigens de belangrijkste oorzaak van ziektelast in Nederland. Ten tweede: terwijl ongeveer de helft van de milieudoelen die sinds 2000 in die landen geformuleerd zijn, niet bereikt werd, constateert de recentste Vlaamse Milieuverkenning zelfs dat enkele tot nu toe gunstige trends aan het afzwakken zijn. Achterstand en vertraging zijn vooral te zien op terreinen waar ofwel nauwelijks een “probleemeigenaar” is – lucht en geluid – ófwel juist een sterke tegenspeler in het spel is – vliegverkeer, mobiliteit en landbouw.

Wie 40 jaar milieubeleid evalueert, kan niet anders dan zeer gematigd positief zijn over de doeltreffendheid ervan

Ten derde hebben we, zoals de Venetianen, een deel van onze politiek-ecologische voetafdruk uitgevoerd: scheepswrakken naar Chittagong in Bangladesh; e-waste naar Agbogbloshie nabij de Ghanese hoofdstad Ghana; monoculturele landbouw, verlies aan biodiversiteit en plastic naar overal; en nucleair afval naar de volgende eeuwen. Ten vierde: die afwenteling in ruimte en tijd impliceert ook dat het milieubeleid geen grip krijgt op de zogenaamd systemische milieuvraagstukken: klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, wereldwijde vervuiling en het grondstoffenprobleem. Het woord systemisch is hier interessant.

Polderen over het milieu

Er zijn meerdere verklaringen voor de beperkte doeltreffendheid van het milieubeleid. Ik noem er drie, in oplopende orde van belangrijkheid: organisatorische, strategische en antropologisch-ethisch-politieke.

Aan de organisatorische redenen besteed ik niet te veel aandacht. Tot ergernis van betrokkenen heb ik destijds schertsend gezegd dat het Ministerie van Infrastructuur en Milieu – InM onder Rutte 2 – het Ministerie van In Memoriam was. Ik had gelijk: onder Rutte 3 is er geen milieuministerie meer. De bevoegdheden inzake omgevingsbeleid zijn over vijf, zes ministeries gefragmenteerd. Dat was in de jaren 1980 ook zo. Intussen zijn andere delen ervan als een volkomen gedepolitiseerde uitvoeringsagenda ondergebracht bij regionale omgevingsdiensten. Ik maak er nog één strenge opmerking over. Het kabinet bereidt een nota ‘Samenhangend omgevingsbeleid’ voor: als de eerste teksten daarvoor een masterthesis zouden zijn, kreeg de student een onvoldoende.

De strategische verklaring verdient meer aandacht. Ik kom terug op het onderscheid tussen Thomas Hobbes en Adam Smith. Volgens Hobbes is de mens van nature dermate slecht dat er een strenge staat nodig is om die slechtheid te reguleren. Die gedachte was, in combinatie met de sturingsstrategieën van de verzorgingsstaat, dominant in het milieubeleid tot diep in de jaren 1980. Daarna is dat milieubeleid, door een paradoxale combinatie van neoliberalisme en participatieve verlangens, op een Adam Smith-leest geschoeid: laat partijen met tegengestelde belangen met elkaar praten, laat ze elkaars ambities temperen en op zoek gaan naar win-winsituaties.

Allerlei strategische varianten op dit thema – stakeholderdialogen, partnerships en energie- en klimaattafels – gaan ervan uit dat belangengroepen elkaars milieuonvriendelijke gedrag kunnen corrigeren. Daar zit zeker wat in. Maar er zitten ook nadelen aan vast. Ten eerste: zoals klassiek overheidsbeleid de milieukwaliteit reduceert tot sets van doelen, indicatoren en distance to targets, leidt polderen ertoe dat een milieuvraagstuk genaturaliseerd wordt tot een stelsel van vergelijkingen met alleen uitwisselbare fysieke variabelen. We hebben het over geluid, over nitraat, over CO2 en de vermindering daarvan, maar níét over maatschappelijke verandering.

Ten tweede: het lukt bijna nooit als vermindering van uitstoot het enige doel is. Het lukt eigenlijk alleen als de overeenkomst ertoe leidt dat ten minste één van de betrokken partijen een bestaand businessmodel overeind kan houden of er een nieuw mee kan opbouwen. Met het recyclen van water en afval kun je geld verdienen, dat gebeurt ook, en terecht. Maar milieuvraagstukken waarop veel lastiger een businessmodel te zetten is, vallen dan gauw af, laat staan dat je er de vermindering van de luchtvaart of de nitraatuitstoot mee kunt regelen.

Milieuvraag-stukken waarop lastig een businessmodel te zetten is, vallen gauw af

Ten derde: om überhaupt met elkaar in gesprek te gaan en te blijven, moeten juist de politiek lastige stekels van het milieuvraagstuk opzijgeschoven worden. Unilever en WWF kunnen alleen een partnerschap sluiten over duurzame soja als ze het vraagstuk van de genetisch gemanipuleerde soja van de agenda halen – dat is een te grote twistappel. Het Nederlandse Deltaplan Biodiversiteit is kennelijk alleen bespreekbaar als de intensieve landbouw niet ter discussie komt.

De afgelopen twee decennia zijn juist lastige delen van het milieubeleid aan stakeholderoverleg toevertrouwd en daarmee gedepolitiseerd tot ruilvraagstukken: Schiphol, het Programma Luchtkwaliteit, de Programma Aanpak Stikstof (PAS), inclusief zijn Vlaamse broertje, en het Energieakkoord zijn allemaal voorbeelden van voor het milieu disfunctioneel polderen. Het Energieakkoord is destijds geïmplodeerd voor het goed en wel gesloten was, over de PAS is intussen door Europese en nationale bestuursrechters een negatief oordeel geveld. Ik kijk dus met grote nieuwsgierigheid én een klein beetje argwaan uit naar de politieke vertaling van het Nederlandse Klimaatakkoord.

Er zit nóg een beperking aan dat polderen over het milieu: de partij die de meeste schade lijdt, zit niet aan tafel. Dat geldt voor minder geprivilegieerde mensen en het geldt voor de niet-menselijke natuur. Op dat belangrijke vraagstuk van milieupolitieke rechtvaardigheid ga ik nu niet in.

‘Wij staan boven de natuur’

De derde verklaring voor het beperkt doeltreffende milieubeleid heb ik antropologisch-politiek-ethisch genoemd; ik noem ze straks ook nog historisch-structureel. De antropologie van het milieubeleid is nog steeds cartesiaans-antropocentrisch: wij mensen staan centraal, wij zijn een uitzondering in de natuur, wij staan bóven de natuur. Daar is, behalve ons gebrek aan bescheidenheid, eigenlijk niet zoveel reden toe. In zijn boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn rekent primatoloog Frans de Waal af met alle zogenaamd scherpe demarcaties tussen mensen en dieren: cognitie, herinnering, taal, cultuur, zelfs moraliteit. In alle gevallen gaat het om graduele verschillen. Dat is evolutiebiologisch ook begrijpelijk. In meer poëtische termen: de verschillen tussen de mens en de rest van natuur zijn als rimpelingen in zand dat nog nat is.

De verschillen tussen de mens en de rest van natuur zijn als rimpelingen in zand dat nog nat is

Ook voor dat bóven de natuur is staan weinig reden, anders dan onze onbescheidenheid: wij kennen die natuur nauwelijks een andere dan instrumentele waarde toe. Ruim tweehonderd jaar na Von Humboldt, aldus Edward O. Wilson, trekken wij ons als mensensoort in politieke zin vrijwel niets aan van onze existentiële afhankelijkheid van redelijk stabiele planetaire omstandigheden. De sociaal-ecologische interactie tussen de mens en de rest van de natuur heeft nauwelijks politieke betekenis. Dus komen auteurs zoals de bioloog Wilson, de in juni 2019 overleden filosoof Michel Serres, de historicus John McNeill en vele anderen tot de conclusie: milieubeleid kan alleen doeltreffend zijn als het uitgaat van een symmetrische antropologie, en als het daarop gebaseerde milieupolitiek wordt. De kern daarvan is: het op bindende wijze toekennen van ethische waarde, ook aan de rest van de natuur. Dat bedoel ik met antropologisch-politiek-ethisch.

We begrijpen nu dus waarom het milieubeleid zo weinig doeltreffend is. In de termen van een tuinier: het graaft niet diep genoeg.

Misschien denkt u nu: maar met veel goede wil toch wel? Met zoveel goedbedoelende mensen die tegenwoordig gemobiliseerd zijn rondom duurzaamheid? De energieke samenleving als change agent. Voordat u tot de even voorbarige als onterechte conclusie komt dat ik pessimistisch ben, ben ik u nog één begrip schuldig: ik zou die antropologisch-politiek-ethische verklaring ook nog historisch-structureel noemen. Fernand Braudel is al langsgekomen. Van hem is het onderscheid tussen l’histoire événementielle, l’histoire conjoncturelle en l’histoire structurelle: de geschiedenis van de feiten, de conjuncturen en de structuren. Het gaat Braudel niet om drie soorten geschiedenis, maar om drie manieren van kijken naar de geschiedenis. L’histoire structurelle interesseert me bijzonder, omdat zij het dichtst komt bij mijn oorspronkelijke discipline, de sociologie, en omdat zij nuttig is voor onze historisch-institutionele analyses van het milieubeleid. L’histoire structurelle kijkt naar die geschiedenis die, als betrof het een diepe geologische laag, door de eeuwen is gestold in harde instituties; het is de trage geschiedenis van la longue durée, zoals die is vastgelegd in persistente, lastig veranderbare structuren.

Waarom milieubeleid zo weinig doeltreffend is? In tuinierstermen: het graaft niet diep genoeg.

Ik heb Albi en zijn onbescheiden kathedraal opgevoerd als een vroeg voorbeeld van een bepaald soort ecologische reflexiviteit. Via Venetië heb ik aangegeven hoe juist dat type ecologische reflexiviteit al vijf, zes, zeven eeuwen dominant is in onze samenleving, in Europa en recenter ook elders. Dat type ecologische reflexiviteit heeft dat andere type, dat van de bescheidenheid van Sénanque, weggedrukt. Het onbescheiden type is geleidelijk verhard in politieke en economische instituties, en daarmee systemisch geworden.

Ik schreef al dat slechts een klein deel van de ecologische reflexiviteit inhoud heeft gekregen in het milieubeleid. Dat milieubeleid, of het nu van een ietwat lethargische overheid komt of van een energieke samenleving, is dus historisch tegendraads, gaat in tegen eeuwenoude en dominante historisch-structurele trends. Dat zijn trends zoals verstedelijking, kolonisering, slavernij, staatsvorming, overbevolking en globalisering. Die trends worden gestuurd door onze voortdurende zoektocht naar goedkoop land, goedkoop voedsel, goedkope grondstoffen, goedkope arbeid, goedkope energie. Het milieubeleid zoals we dat nu kennen, kan die ontwikkeling niet keren, daarvoor graaft het niet diep genoeg, daarvoor is het niet systemisch of structureel genoeg.

Gedrevenheid en inschattingsvermogen

Het voordeel van een historische vertelling, aldus milieuhistoricus William Cronon, is dat niemand conclusies verwacht, en al helemaal geen beleidsaanbevelingen.

Ik rond af, niet met conclusies dus, maar met vier overwegingen. De eerste is deze: sociologen kunnen me kwalijk nemen dat mijn analyse in termen van “de mens” en “de samenleving” gaat. De geadresseerde van dit artikel lijkt inderdaad homo sapiens, de menselijke soort. Ik realiseer me donders goed dat macht en verantwoordelijkheid ongelijk verdeeld waren en zijn, en dat achter historisch-structurele trends concrete besluiten van concrete mensen schuilgaan. Maar ik wilde áchter het hier-en-nu-verhaal om de milieugeschiedenis induiken.

Milieubeleid is historisch tegendraads

Mijn tweede overweging is: ik realiseer me dat mijn verhaal somber klinkt. Met een beroep op evolutiebiologische en structureel-historische parameters raakt de goedwillende en optimistisch handelende mens een beetje buiten beeld en buiten spel. Ongewild brengt dat perspectief je dus in een cultuurpessimistische baan. Maar mijn analyse brengt me wel tot een vraag die ik, enigszins retorisch, aan u voorleg: kunt u mij aangeven waar de sturingskracht vandaan moet komen om Coca-Cola te doen stoppen met de productie van drie miljoen ton plastic verpakkingen per jaar? Of om Amazon tegen te houden tweeduizend satellieten te lanceren die overal ter wereld 5G garanderen? Het zijn twee voorbeelden van concrete besluiten van concrete bedrijven die geheel in lijn zijn met de historisch-structurele ontwikkeling, maar waarvoor ik de tegenkracht nog niet zie – niet in de markt, niet bij de overheid, niet in de samenleving.

Is fundamentele sociale verandering te realiseren op de termijn die natuurweten-schappelijk nodig is?

Derde overweging. Wat ik vertel, is niet nieuw. Juist sociale wetenschappers dragen dezer dagen bij aan meer institutionele, systemische en historisch-structurele analyses van milieuproblemen. Zowel het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving als de Vlaamse Milieurapportering maakt analyses van het voedselsysteem, de mobiliteit, het energiesysteem en andere. Dat is methodisch en empirisch best lastig, maar zeer interessant werk. Twee recente internationale rapporten van het IPCC en het IPBES passen in die trend. Ook die rapporten laten zien hoe structureel de trends zijn achter de opwarming van de aarde en het verlies aan biodiversiteit. Maar: tegen ons Verlichtingsidee in dat meer kennis en meer begrip ook tot meer grip leiden, tonen die analyses ook hoe lastig veranderbaar de wereld is. Ik ben het zonder meer eens met de oproep van IPCC en IPBES voor system change, respectievelijk transformative changes. Maar ik aarzel of die fundamentele sociale verandering gerealiseerd kan worden op de termijn die natuurwetenschappelijk gesproken nodig is.

Ten slotte: ben ik dus toch pessimistisch? Eerlijk gezegd vind ik optimisme of pessimisme een buitenwetenschappelijke keuze. Maar ik betrek u graag in wat ik de afgelopen jaren steeds meer als een professioneel dilemma heb ervaren: ik vind dat wij studenten moeten helpen en steunen in hun engagement om de wereld te verbeteren. Ik hoop dat engagement ook zelf te hebben uitgedragen. Tegelijkertijd moet ik studenten, zonder pessimisme, intellectueel verhelderen hoe lastig sociale verandering als politieke onderneming is. Gelukkig vind ik dan inspiratie bij Max Weber, die exact honderd jaar geleden zei: “Politiek is krachtig en langzaam boren in harde planken, met gedrevenheid en inschattingsvermogen.”

Dit artikel is een bewerking van de rede die Pieter Leroy op 21 juni 2019 uitsprak bij zijn afscheid als hoogleraar Milieu en Beleid aan de Faculteit der Managementwetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.