Publicaties
Het Platform Literatuur en Samenleving. Hoe kunnen onderwijs, onderzoek en kritiek de letteren beter op de kaart zetten?
0 Reacties
Voor abonnees
maatschappij
literatuur

Het Platform Literatuur en Samenleving. Hoe kunnen onderwijs, onderzoek en kritiek de letteren beter op de kaart zetten?

(Lars Bernaerts) ONS ERFDEEL – 2017, NR 2, PP. 179–182

Dit is een artikel uit ons papieren archief

“Hebt u wel eens een formulier van het Letterenfonds gezien? Of het lesmateriaal voor beter literatuuronderwijs? Of de aanbevelingen van de Nederlandse bibliotheekcentrale? Of de tips van de week in welk tijdschrift dan ook? Dat heeft allemaal nog weinig met de macht en de magie van het woord te maken. En ondertussen ligt de onbenutte werkelijkheid ongezien en ongeschreven op ons te wachten.”

De cultuurkritische stem die in de essays van P.F. Thoméses Verzameld nachtwerk (2016) het woord neemt, is hier bepaald niet mals voor de literaire instituties. Die versmachten wat echt literair is. Ook het literatuuronderwijs en de literatuurkritiek moeten het ontgelden. Het onderwijs wil behapbaar lesmateriaal waar leerlingen niet te zeer op moeten kauwen. Voor doorwrochte literatuurkritiek is er geen plaats meer in dag- en weekbladen. Over de academische literatuurstudie spreekt Thomése zich niet uit, maar we kunnen ons wel voorstellen dat ook die er in zijn analyse bekaaid af zou komen.

Het beeld dat Thomése (in de eerste plaats voor Nederland) oproept, sluit aan bij een bezorgdheid die te horen is op verschillende fora in Nederland en Vlaanderen; opiniestukken, blogs, debatten. Een van die fora is het Platform voor Literatuur en Samenleving (PLISA), een Vlaamse overleggroep van een aantal vertegenwoordigers van het letterenveld, die startte als een samenwerking tussen de vereniging van literaire, culturele en erfgoedtijdschriften (Folio), de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap (VAL) en het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL).

In de eerste plaats bekommert de groep zich om de banden tussen literatuuronderwijs, literatuurkritiek en academische letterkunde. Benutten die drie voldoende hun kansen om literatuur in de samenleving te bevorderen? Waarom doen ze wat ze doen zo vaak in verspreide slagorde? PLISA is heeft een aantal constateringen van onderzoekers, docenten, lerarenopleiders en critici als uitgangspunt genomen, en zoekt uitwegen voor de verwaterde verbanden in het letterenveld.

De indrukken die tot PLISA inspireerden en die de laatste jaren ook tot andere initiatieven geleid hebben, zijn niet opbeurend. Als het over de status
van literatuur in universiteit, kritiek en onderwijs gaat, dan is de perceptie doorgaans niet gunstig, zo bleek uit de gesprekken die PLISA voerde. De academische letterkunde vormt meer en meer een eiland door de manier waarop universiteiten vandaag georganiseerd zijn, klinkt het. Het financieringssysteem, de rationele bedrijfsvoering en de internationalisering in de universiteiten motiveren letterkundigen niet om zich in het eigen taalgebied in te zetten voor pakweg bijscholing voor leerkrachten of om bijdragen te leveren aan kranten. Het debat over de vraag waar we met de universiteit naartoe willen, onder andere gevoerd in Ons Erfdeel (1) en in de Academie (2), staat in die zin niet los van de vragen die PLISA stelt. Globaal genomen zijn letterkundige academici vandaag minder betrokken bij literatuuronderwijs en dragen ze minder bij tot literatuurkritiek met een groot lezersbereik.

Ook uitspraken over de literatuurkritiek wijzen in de richting van vermarkting enerzijds en specialisering anderzijds. Onder druk van de markt dreigt de literaire kritiek schraal en voorspelbaar te worden. Er zijn bovendien schotten gekomen tussen de gespecialiseerde kritiek, die voortleeft in literaire en culturele tijdschriften en die vaak – maar zeker niet exclusief – door literatuuronderzoekers geschreven wordt, en de dag- en weekbladrecensies. Van wat er in de literaire tijdschriften gebeurt, verneemt de lezer vandaag niets meer in krant of weekblad. Wie de evolutie van de boekenbijlagen in kaart brengt, ziet de voorbije decennia een duidelijke verschuiving. Esther Op de Beek constateerde het in haar proefschrift over boekbeoordelingen in de Nederlandse dagbladen en het geldt ook voor Vlaanderen (3): de commerciële druk leidt tot een publieksgericht recensiebeleid met kortere recensies, meer interviews, minder specialisering onder de recensenten en meer visuele elementen in de presentatie. Ook al strekt de recensiepraktijk zich vandaag uit over tal van media, er is minder gedegen kritiek die breed gelezen wordt, er zijn minder grondig onderbouwde oordelen en discussies. Het leidde schrijver Marc Reugebrink ertoe in 2011 op te roepen om dan maar geen negatieve recensies meer te schrijven. (4)

Tot slot staat het literatuuronderwijs in secundaire scholen (voortgezet onderwijs) onder druk. Het vaardigheidsdenken in de didactiek verzwakt het literatuuronderwijs. Terwijl didactische vernieuwingen elkaar blijven opvolgen en hun beslag krijgen in telkens te vernieuwen, want te verkopen handboeken, vinden nieuwe inzichten uit de literatuurwetenschap (zoals die van de postkoloniale literatuurstudie of het New Historicism) en de literatuurgeschiedschrijving (bijvoorbeeld de monumentale, nu afgeronde reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur) veel moeilijker hun weg naar de handboeken en de schoolbanken. Handboeken vertonen weliswaar een didactische, pedagogische visie, maar getuigen dikwijls niet van een doordachte visie op literatuur. In Nederland beginnen initiatieven zoals het Manifest Nederlands op school en LitLab zulke kwesties aan te pakken.

De weergegeven debatten veronderstellen dat literatuur ertoe doet. Maar vanuit welke visie op de waarde ervan? Er is om te beginnen geen vorm van taalgebruik die creatiever, gelaagder en complexer is, dus literatuur scherpt de taal- en denkvaardigheid aan. Dat gebeurt ook omdat literatuur uit taal én uit verbeelding bestaat. Literatuur vertegenwoordigt zodoende het domein van de concrete mogelijkheid, niet van concrete zekerheden (dat wil zeggen feiten, zoals in de journalistiek), niet van het verleden zoals het was (geschiedschrijving) of van abstracte dan wel praktische wijsheid (de filosofie, vereenvoudigd gesteld). (5)

Nu kan de lezer tegenwerpen dat een roman ook feiten, geschiedenis en wijsheid bevat, dat journalistiek en geschiedschrijving ook speculeren en dat er zoveel grensgevallen zijn. Dat is allemaal waar, maar in de eerste plaats gaat het in literatuur om de vraag hoe het materiaal gepresenteerd wordt, of het nu een politiek standpunt is, een episode uit de geschiedenis, of een moreel dilemma. Als dat met taal en concrete mogelijkheid gebeurt, dan betreden we het huis van de literatuur. Wie een gedicht of roman leest, proeft de taal van een ander in de eigen mond, en bedenkt de werelden die een ander bedacht. In die werelden kan de lezer gedrag en redeneringen uitproberen die hij de werkelijkheid nooit zou binnenbrengen. Omdat ze onmogelijk zijn, of immoreel, of ondenkbaar binnen het heersende discours.

Met de stelling dat literatuur te begrijpen is als concrete verbeelding in taal kunnen velen akkoord gaan. In een engere visie die vandaag in de verdrukking raakt, is literatuur bovendien kritisch, ethisch complex en politiek weerbarstig. Waardevol aan literatuur is datgene wat niet precies of niet definitief begrepen kan worden, wat zich met andere woorden niet in een bestaande orde laat inpassen. In die visie conformeert literatuur zich niet aan het marktdenken dat de media en de politiek beheerst en dat dus ook literatuurkritiek, literatuuronderwijs en academische letterkunde niet
ongemoeid laat, waarmee we opnieuw bij ons uitgangspunt uitkomen.

Op het doembeeld van totaal verwaterde relaties valt veel af te dingen. Er zijn tal van initiatieven die literatuur op de kaart houden en die de brug slaan tussen onderwijs, onderzoek en kritiek. Alleen zijn die initiatieven zelden bekend bij alle spelers die er belang bij hebben en is er terughoudendheid om echt samen te werken. Dat werd duidelijk op de PLISA-dag van 21 september 2016 in Brussel. Een grote groep professionals van de literatuur discussieerde er over heden en toekomst van de literatuur in Vlaanderen en zocht naar manieren om de relaties tussen literatuuronderwijs, literatuurkritiek en academische letterkunde te versterken.

In lezingen en werkgroepen bespraken betrokkenen uit het veld concrete voorstellen om dat te realiseren. Zo kan de dynamische canon van de Nederlandse literatuur, die Bert Van Raemdonck namens de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde (KANTL) (6) voorstelde, een betrouwbaar referentiepunt én een aanleiding voor debat zijn in het secundair onderwijs. Leen Van Dijck van het Antwerpse Letterenhuis liet zien hoe literair erfgoed zowel in onderwijs als in onderzoek ingezet kan worden. Onder anderen leerkracht Paul De Loore en dichter-leraar Charles Ducal pleitten ervoor om literatuur sterker te verankeren in eindtermen en leerplannen. In de klassieke media is er nog steeds ruimte voor doorwrochte literatuurkritiek, betoogden enkele sprekers. Een boekenprogramma op tv, stelde VRT-journalist Annelies Beck bijvoorbeeld, heeft kans van slagen als het de taal van het medium spreekt. Er werden samenwerkingen verkend tussen uiteenlopende spelers zoals bibliotheek en boekhandel, Creatief Schrijven, de handboeken Nederlands voor het secundair onderwijs, Iedereen Leest, leesclubs, de lerarenopleidingen aan universiteit en hogeschool, de literaire tijdschriften, online en offline literatuurkritiek, Poëziecentrum en universitaire onderzoekscentra.

Uit de groepsdiscussies kwamen enkele voorstellen naar voren, waarover alle deelnemers zich vervolgens uitspraken. Zou Vlaanderen naast de bestaande structuren geen literaire “bouwmeester” kunnen gebruiken, een instantie die, of een platform dat, het literaire veld overziet, het literatuuronderwijs- en letterenbeleid scherp houdt en samenwerking actief bevordert? Is er geen onlineplatform nodig dat geïnteresseerden en professioneel betrokkenen kan doorverwijzen naar relevante initiatieven? Vandaag weet de leesclubbegeleider vaak niet dat de bibliotheek om de hoek een lezing organiseert over het boek dat ze bespreken of dat de universiteit even verderop een reeks open lezingen over het onderwerp aanbiedt. Enthousiast onthaald werd ook het voorstel om direct naar scholen te trekken met een divers aanbod. Een gezelschap dat van school naar school trekt, zou leerlingen vertrouwd kunnen maken met literaire initiatieven, literatuurstudie en literatuurkritiek.

Uit de discussies en voorstellen blijkt dat de visie op literatuur die hierboven aan bod kwam, niet noodzakelijk de visie is van alle PLISA-partners en al zeker niet van hun brede doelgroepen. Het Platform pleit er dan ook niet voor om theoretische visies uit de literatuurwetenschap als exclusieve leidraad te hanteren voor de manier waarop bijvoorbeeld leeslijsten worden samengesteld of leesclubs worden opgezet. Wel pleit PLISA voor een open gesprek dat verder strekt dan vandaag en dat uitgaat van de kracht van literatuur. Vandaag is namelijk veeleer de macht van geld en getal zichtbaar en onzichtbaar bepalend voor dergelijke keuzes. Tegengewicht komt van een subsidiërende overheid, van onafhankelijke uitgeverijen en boekhandels, bevlogen leerkrachten en bibliothecarissen, enzovoort. Laten we die vooral ondersteunen. PLISA wil dat bescheiden maar vastberaden doen door mensen en organisaties met elkaar in contact te brengen en de reflectie over kritiek, onderwijs en onderzoek te stimuleren zoals tijdens de platformdag in september 2016. Dat proces is volop aan de gang. De komende tijd maakt de groep de plannen concreter en wil ze het draagvlak verhogen door verder overleg. Het doel is niet om nieuwe structuren en instituties te introduceren, wel om samenwerkingen uit te bouwen, om vakkennis en opvattingen uit te wisselen. Het Platform Literatuur en Samenleving heeft de taak zichzelf overbodig te maken.

NOTEN

1. Casper Thomas & Pieter Coupé, ‘‘Tijdverlies kan ook nuttig zijn’. Rik Torfs en Vincent Icke over de toekomst van de universiteit’, Ons Erfdeel, jg. 59 (2016), nr. 3, pp. 4-25. Online via deze link.

2. Herman De Dijn, Irina Veretennicoff, Dominique Wi l lems (e.a.), Het professoraat anno 2016. Reflectie over een beroep in volle verandering, Standpunten nr. 40, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Brussel, 2016, 35 p. Online: www.kvab.be/downloads/stp/professoraat-anno-2016.pdf.

3. Ik verwijs hier ook naar de steekproeven die Evelien Verschueren uitvoerde in het kader van haar stage bij het Platform Literatuur en Samenleving (UGent 2016).

4. Marc Reugebrink, ‘Schrijvers, critici, verenigt u!’, in: rekto:verso, 46, 2011. Online: www.rektoverso.be/artikel/schrijvers-critici-verenigt-u

5. De aard, functies en verschijningsvormen van literatuur worden grondig en toegankelijk besproken in: Gillis Dorleijn, Dirk De Geest, Pieter Verstraeten, Literatuur, verschenen in de reeks Elementaire deeltjes, Amsterdam University Press, 2017, 176 p.

6. Laurens Ham, ‘Sluit de canon niet op in zijn ark. Een reflectie op de dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur’, Ons Erfdeel, jg. 58 (2015), nr. 4, pp. 4-13. Online via deze link.

"

Verder lezen?

Dit is een artikel waarvoor je moet betalen. Koop dit artikel of neem een abonnement om toegang te hebben tot alle verhalen van de lage landen.

€5/maand

€50/jaar

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be