Publicaties
Het Geheim van het Huis met het Torentje
0 Reacties
Wankel
literatuur

Het Geheim van het Huis met het Torentje

Gaston Durnez bezoekt het huis van Jules Verne in Amiens en vraagt zich af: heeft de lezer nog voldoende geduld om in tachtig dagen rond de wereld te reizen?

Vrienden wilden mij vieren en voerden mij naar het Oude Land der Vaderen, naar Picardië. Op een zonnige zondagnamiddag reden wij de feestelijke hoofdstad Amiens binnen. Daar was, in de schaduw van de gotische kathedraal, een luidruchtige kermis aan gang, op de bloementerrassen langs het water. Doordringen tot het stadscentrum was vrijwel onmogelijk, maar naar een grote laan in een meer open wijk konden wij wél en daar vonden wij zelfs parkeerruimte. Wij maakten er halt voor een rood bakstenen herenhuis met een toren, een burgerpaleisje uit de negentiende eeuw. Ziedaar, zeiden mijn vrienden, het huis van uw jeugdliefde! Daar heeft Jules Verne gewoond, “de Schrijver die de wonderen van de toekomst heeft voorspeld”. En die, vulde ik dankbaar aan, “een van de mooiste parodieën op de journalistiek heeft geschreven”.

Lokaal patriottisme

La Maison à la Tour is al lang ingericht als een van de twee musea die in Frankrijk aan een van zijn bekendste schrijvers zijn gewijd. Het andere huis staat in zijn geboortestad Nantes. Ik kan de twee niet vergelijken, maar in Amiens is men overtuigd: “Wij bezitten een van de mooiste schrijvershuizen die je in Europa kunt bezoeken.” Als mijn vrienden mee willen, hoop ik op een volgende reis te mogen controleren of dat meer dan lokaal patriottisme is.

Verne was 54 jaar toen hij zich in Amiens kwam vestigen, “une ville sage”, zei hij, “met hartelijke en geletterde mensen, dicht genoeg bij Parijs om er de goede invloed van te genieten, zonder het lawaai.” De stad gebruikt de uitspraak nog altijd als reclame. Al staat er ook ironisch bij: “ En dan, mijn Saint Michel ligt in de Somme.” Saint Michel was de naam van zijn jacht waarmee hij graag de zee op ging, als het hem bij zijn vrouw en zijn niet minder lastige zoon te veel werd.

Zowat de helft van zijn zestigtal romans, talrijke verhalen en toneelstukken zijn ontstaan in dit tel particulier. Als hij in Amiens was, zat hij ’s morgens vroeg al om vijf uur te pennen in zijn werkkamer die de vorm van een scheepscabine heeft. Roerloos vliegende machines hangen op zolder bij andere voorbeelden van voorouderlijke verbeelding. Ergens liggen plannen voor een onderzeeër ondergedoken. Er is ook een eigen vorm van internet en Wikipedia: in de loop der jaren vervaardigde Verne zo’n twintigduizend steekkaarten, met wetenschappelijke en andere documentatie voor zijn fantasie.

Boeken en boekenbanden laten zien welke slimme, artistieke ambachtsman en commerçant de Parijse uitgever Hetzel moet geweest zijn, de visionair die de mogelijkheden van Verne vlug doorhad, die hem regisseerde en soms ook censureerde. Hetzel liet zijn goudhaantje contracten tekenen voor drie romans per jaar. Hij liet hem ook goed geld verdienen, maar streek zelf acht keer méér op.

Verne had een vlugge pen, ze liet hem zelfs nog genoeg tijd om deel te nemen aan het plaatselijke politieke leven, als een republikein en een katholiek van huize uit, met vrienden tot bij de vrijdenkers. Rijkdom en eer beletten niet dat hij leed onder de gedachte dat de intellectuele bovenlaag van zijn tijd hem literair niet echt ernstig opnam. Ach, zo zijn schrijvers en bovenlagen nu eenmaal.

Het was, die zonnige kermiszondag, warm in het huis met de steile trappen en de vele kamers. Stil en rustig ook, zodat het klonk als een trompet telkens als ik, gezegend met hooikoorts, moest niezen van het stof. De moderne museumingenieurs en vormgevers hebben het huis zoveel mogelijk in zijn eigen klimaat laten staan, en daar hoort ook een laagje stof der eeuwen bij. Atsjie! Gezondheid!

Het Zwarte Gat

Iemand vroeg zich af of die rust en dat stof misschien zinnebeeldig waren. Ligt de literatuur à la Jules Verrne niet rustig en voldaan te dommelen in de plooien der Geschiedenis, nu wij met alle mediageweld de Eeuw van het Zwarte Gat zijn binnengevlogen? Heeft een lezer nu nog voldoende geduld om in tachtig dagen rond de wereld te reizen, of twintigduizend mijlen onder zee te duiken in een breekbare luchtbel?

Wel… Toen onlangs het nieuws met de eerste foto van het wonderlijk gekleurde Trou Noir bekend werd, heb ik de naam Verne weer zien opblinken in de commentaren van de media. Alsof de pers hem terugriep uit de Galerij der Groten, als de wijze peetoom van onze moderne Geleerden. Verne, zo las ik ergens, c’est un mythe planetaire. Ik voeg eraan toe: het is ook een icoon van Frankrijk.

In de francofonie moet men in elk geval niet zo bang zijn dat hij als een dwaalster verloren zal vliegen, recht naar de onpeilbare diepte. Onze zuiderburen hebben hem zopas nog literair heilig verklaard. De jongste jaren verschenen drie omvangrijke verzamelbundels van hem op het delicate kerkboekenpapier van de roemruchte Pléiade. Ondertussen blijft hij, net als menige andere Franse klassieker, ook in de pocketreeksen opduiken. En precies in de week van het Zwarte Gat verscheen in Parijs een rijk geïllustreerd boek over hem, eigenlijk een aflevering uit de serie Contes et Légendes, een van die weelderig bloeiende Franse magazinereeksen die ook in onze betere krantenwinkels liggen en die hoogtepunten uit de geschiedenis, de wetenschap en de kunsten behandelen voor een breed publiek. Titel van de honderdvijftig bladzijden informatie en analyse: Jules Verne. Le souffle de l’aventure.

Of zijn in het Nederlands vertaalde verhalen, in Vlaanderen, buiten de fanclub, nog op vele leestafels liggen, durf ik wel te betwijfelen. Er zijn nog wel edities voor de jeugd verkrijgbaar, waarvan je de titels op internet kunt vinden. In de zeldzaam wordende winkels van antiquaren kun je de Hetzelachtige banden van weleer weemoedig gaan strelen. (Stelen is moeilijker: ze worden als juwelen bewaakt.) Wie wil nagaan, hoeveel titels ooit in het Nederlands zijn overgeplant, kan op internet terecht op de lange lijst van een Vernegenootschap.

Hier moet ik het beeld oproepen van een Vlaming die een der voornaamste internationale Vernekenners was, een veelzijdige wetenschapper die model had kunnen staan voor een romanfiguur.

Robert Pourvoyeur (1924-2007) was een echte duizendkunstenaar: jurist, econoom, hoog Europees ambtenaar, hoogleraar economie in Antwerpen en in Brussel, musicoloog en muzikant met een bijzonder hart voor klassieke operettes… en nog zo een en ander, bijvoorbeeld recordvoordrachtgever. Hij sprak tien talen, verstond er twaalf en las er twintig! Dat kwam hem goed van pas op internationale conferenties en als lid van het directiecomité van de Société Jules Verne in Parijs. Een samenvatting van zijn studie over de Fransman bezorgde hij in 1988: Jules Verne en zijn werk : een reëvaluatie.

Clichés van tafel

Het was inderdaad een echte herwaardering. Pourvoyeur veegde alle clichés van tafel die het beeld van de Fransman in de loop der jaren hebben misvormd. Verne was om te beginnen geen schrijver voor kinderen. Zijn artistieke reputatie lijdt nog altijd onder de wijze waarop zijn zoon het werk mishandelde. Maar de grootste misvatting luidt dat Verne een ziener is geweest “die alles voorspeld heeft”. Dat was hij niet, zo betoogde Pourvoyeur: “Wat hij beschreef, bestond al, tenminste theoretisch. Hij bracht wel de wetenschap in de sfeer van de literaire verbeelding.”

Hij heeft vele lezers geïnspireerd, maar zelf had hij geen blind vertrouwen in die wetenschap. Hij wantrouwde zelfs de geleerden. En hij was geen optimist, wél “een guitige schrijver”, onder meer van libretto’s voor operettes. Het blijvende succes van zijn werk was volgens Pourvoyeur te danken aan “de juiste dosering van humor, verbeelding en accuratesse”, terwijl hij “archetypes wist te gebruiken die tot iedereen spreken”.

In zijn laatste jaren heb ik ondervonden dat de geleerde man ook thuis was in de wereld van andere schrijvers. Vriendelijk hielp hij mij bij een literaire opzoeking. Een plan voor een groot interview is evenwel, vanwege de beruchte “samenloop van omstandigheden”, niet kunnen doorgaan. Zijn Vernestudie rust in een wetenschappelijke brochure, jammer genoeg niet in een grote biografie.

Helden van een andere soort

Op die warme zondagnamiddag in het Huis met het Torentje mocht ik van dichterbij Michael Strogoff bewonderen, de bekende moedige koerier van de Tsaar in revolutiejaren. In zijn levensverhaal wordt ook een rol gespeeld door twee helden van een andere soort: de Franse journalist Aleide Jolivet en zijn Britse concurrent Harry Blount. Zij behoren sinds lang tot mijn dierbare collega’s. Als ergens in mijn buurt wordt geredetwist over de eenzijdigheid van de framende media, roep ik hen op het podium.

In het begin van de roman reizen de twee nieuwsjagers per trein van Moskou naar Nijni-Novgorod. Zij willen geen contact en negeren elkaar. De praatzieke Fransman zit aan de linkerkant van de coupé en kijkt naar de eindeloze vlakte waar zij doorsnellen. Hij stelt zoveel vragen aan zijn medereizigers en hij maakt zo druk notities, dat ze hem voor een spion aanzien en hun mond houden. Hij seint dan ook naar zijn krant, dat de mensen in het barre eentonige Rusland d’une discrétion absolue zijn. Harry Blount daarentegen zit aan de rechterkant van de trein zwijgend naar buiten te kijken, waar hij het voorbijdrijvende profiel van een bergachtig landschap ziet. De pratende passagiers slaan geen acht op hem en hij kan dus aan zijn redactie melden dat iedereen hier in het indrukwekkende Russische bergland heel vrijmoedig over de oorlog meespreekt.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be