Publicaties
Het compromismuseum
0 Reacties
© KMMA Tervuren
© KMMA Tervuren © KMMA Tervuren
maatschappij
geschiedenis

Het compromismuseum

Hoe geslaagd is de dekolonisatie van Tervuren?

Na vijf jaar renovatie en dekolonisatie is eind 2018 het AfricaMuseum in Tervuren opnieuw geopend. Kiza Magendane, Amsterdamse schrijver en beleidsondernemer van Congolese komaf, gaat kijken of de inhoudelijke vernieuwing geslaagd is, en vraagt zich af of zo’n Europees museum over Afrika in deze tijden nog wel relevant is. Hij blijft achter met gemengde gevoelens: over de culturen en rituelen van het Afrikaanse continent steekt hij heel wat op, maar het koloniale verleden wordt in het museum gepresenteerd als een voetnoot.

Het is zondagmiddag. Tram 44 verlaat Brussel-Montgomery richting Tervuren, vol mensen. Ik zit op mijn e-reader geconcentreerd het boek The Life You Can Save van de Amerikaanse filosoof Peter Singer te lezen. How to Play Your Part in Ending World Poverty is de ondertitel. Het irriteert mij dat Singer de individuele consumenten en burgers in rijke westerse landen aanspreekt om “levens in Afrikate redden” – alsof ze met hun gulzigheid de structurele ongelijkheid in de wereld kunnen veranderen.

Om na te denken over de provocatieve stellingen van de auteur kijk ik naar buiten. Ik aanschouw majestueuze villa’s aan de rand van Brussel. Al snel passeert de tram langs een gebied waar alleen nog maar bomen te zien zijn. Geen geluid van auto’s, mensen of honden. Zo’n honderdtwintig jaar geleden heeft de Belgische koning Leopold II besloten dat men langs deze serene rust, voorbij alle drukte van de stad moet passeren om zijn imposante Congo Museum te bezoeken.

Tegelijk met de wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel wilde Leopold II ook een koloniale tentoonstelling in Tervuren organiseren. Zo kon de hele wereld – en vooral het bedrijfsleven – zien wat voor economische kansen in de zogenaamde Congo-Vrijstaat te vinden waren. Uiteraard toonde die koloniale tentoonstelling niets van het leed en het bloed dat stroomde om de koloniale droom van de Belgische koning mogelijk te maken.

Ik heb deze ochtend vanuit Antwerpen de trein naar Brussel-Centraal genomen. Vanaf daar ben ik in een tram naar Montgomery gestapt, en nu zit ik in een tram naar Tervuren. Mijn doel: het vernieuwde Koninklijk Museum voor Midden Afrika, dat nu AfricaMuseum heet, bezoeken. Vijf jaar lang heeft het museum zijn deuren gesloten voor restauratie. Er is een heel nieuw deel bijgebouwd en er is efficiënter gebruik gemaakt van bestaande ruimtes, waardoor het museum veel meer stukken kan tentoonstellen. Naast deze renovatie heeft het museum zich ook tot doel gesteld inhoudelijk te vernieuwen. Het racisme uit de koloniale tijd moest de prullenbak in. Een uitdagende opdracht. Ik vraag mij af in hoeverre deze inhoudelijke vernieuwing is gelukt. En ik ben benieuwd naar de relevantie van zo’n AfricaMuseum anno 2019.

Een festival?

De tram arriveert in Tervuren-Centrum. De toegangspoort naar het AfricaMuseum valt meteen op vanuit het verlaten station. Entrance staat te lezen op die megalomane ingang, die veel aan een festivalingang doet denken. Ben ik naar een festival gekomen? Ik stel mijzelf die vraag omdat ik hebt gemerkt dat bijna iedereen in de tram net als ik naar het gerenoveerde museum gaat. Zo moet het ook in 1897 zijn gegaan tijdens de wereldtentoonstelling. Lijn 44 werd speciaal als pendeltram aangelegd om de duizenden bezoekers naar Tervuren en terug te brengen.

Als ik de nieuwe museumingang met honderden bezoekers in de wachtrij ben gepasseerd – wat mij weer aan een festival doet denken – bereik ik de kluizen waar ik mijn spullen kan achterlaten. Daar spreken kinderen Nederlands en Frans met hun ouders. Dit is misschien een van de zeldzame momenten dat deze kinderen een ruimte delen met hun leeftijdgenoten uit een ander taalgebied. Het AfricaMuseum als symbool van verbinding, zo lijkt het.

Ik zie een witte vrouw en een zwarte man, samen met hun kinderen lopen ze de trap af richting de nieuwe ondergrondse doorgang naar de permanente tentoonstelling. Ik loop achter hen aan. In het lange en indrukwekkende souterrain loop je langs een houten kano van zo’n tien meter lang. “Alles gaat voorbij, behalve de geschiedenis”, staat in de drie officiële talen van België en in het Engels te lezen op de witte muur, aan de rechterkant van de hal. Ook het plafond is wit. De lampen weerkaatsen wit licht tegen de vloer en de witte muren, waardoor je het idee krijgt dat je in een psychiatrische inrichting of een ziekenhuis bent beland. Je komt hier binnen, wordt een paar uur overrompeld met de erfenis van de koloniale geschiedenis, om daarna een als een nieuwe mens, met nieuwe inzichten, naar huis te gaan. Met die gedachte passeer ik deze klinische toegang tot het museum.

Touwtrekkers

De eerste collectie bestaat uit sculpturen van onder ander de Britse kunstenaar Herbert Ward (1863-1919). Verschillende rollen worden afgebeeld:een houtsnijder die een mens aan het scheppen is; een stamhoofd dat een speer vast houdt; een oude man die met een stokje vuur maakt. Het zijn stuk voor stuk beeldhouwwerken die het leven in het hart van Afrika moeten voorstellen, maar die vooral een racistische ondertoon hebben: het “primitieve zwarte lichaam” als onderdeel van de natuur. Het opvallendste beeld is dat van de zogenaamde luipaardman, door Paul Wissaert (1885-1951) gemaakt in opdracht van de Belgische minister van Koloniën. Het toont een man in een luipaardvel met een masker over zijn hoofd die het met scherpe messen in zijn handen op zijn slachtoffer heeft gemunt.

“Van 1908 tot 1960 werd het museum gefinancierd door het Ministerie van Koloniën. Dat weerspiegelde zich in de selectie van de presentatie van de tentoongestelde objecten. Daardoor heeft het museum een belangrijke rol gespeeld in de beeldvorming over Afrika en de Afrikanenen in de verheerlijking van de kolonie en haar stichters”, staat op de muur te lezen.De bezoekers lopen snel voorbij deze sculpturen in wat misschien wel de kleinste zaal van het hele museum is. Het ongemak is overal te voelen.

“Sommige aspecten van die beeldvorming werken nog altijd door”, vervolgt de omschrijving. “De beelden die je hier ziet, maakten vroeger deel uit van de permanente tentoonstelling, maar horen daar nu niet meer thuis.”

Enerzijds ben ik ervan overtuigd dat je geen AfricaMuseum in België nodig hebt. Stuur dat erfgoed terug naar Afrika

Dat deze zo ooit belangrijke beelden nu in een kleine zaal zijn bijeengebracht en een disclaimer krijgen, is het resultaat van de reorganisatie. Op de wand van de kleine zaal wordt die reorganisatie in beeld gebracht met een schilderij van de Congolese kunstenaar Chéri Samba. Daarop staan twee groepen touwtrekkers. De eerste groep bestaat uit Congolezen die de luipaardman uit het museum naar buiten trekken. De Congolezen willen van de sculptuur af omdat ze een negatief beeld reproduceert van de angstaanjagende, kannibalistisch een moordlustige Congolees. De museummedewerkers aan de andere kant trekken de luipaardman juist het museum in. “Wij kunnen niet aanvaarden dat dit werk weggaat”, zeggen ze.“Het heeft ons gemaakt tot wat we zijn.” De directeur van het Afrikamuseum, Guido Gryseels, staat tussen de twee groepen touwtrekkers met zijn armen over elkaar.“Het is waar dat het triest is, maar… En eigenlijk moet het museum volledig gereorganiseerd worden”, zegt hij.

Ik betrap mij erop dat ik er moeite mee heb dat het een witte man is, de museumdirecteur, die het laatste woord heeft in het schilderij van Chéri Samba. Maar het is wel een illustratie van de werkelijkheid: dit is een Belgisch museum, gebouwd door een Belgische koning in het belang van België en nu gerenoveerd met geld van de federale Belgische overheid. Het is logisch dat een witte Belgische man het laatste woord heeft.

Tegelijk heb ik sympathie voor het feit dat het museum een disclaimer bij zijn collectie plaatst

De Congolese touwtrekkers op het schilderij symboliseren een groep Congolezen en andere Afrikanen die rechtvaardigheid willen ten opzichte van het koloniale verleden. Ze willen radicaal met dat verleden breken, ze willen een revolutie. De protesterende museummedewerkers symboliseren een groep die de status-quo wil bewaren, omdat zij daarmee beter af zijn. Tussen beide groepen komt de museumdirecteur, die voor de gulden middenweg kiest. Hij verkiest consensus boven conflict en vrede boven rechtvaardigheid.

Verleden witwassen?

Ik verlaat de kleine zaal met gemengde gevoelens. Enerzijds wil ik net als de Congolese touwtrekkers het liefst alle omstreden werken uit het museum halen. Sterker nog, ik ben er heilig van overtuigd dat je geen AfricaMuseum in België nodig hebt. Stuur al dat erfgoed terug naar Congo en andere Afrikaanse landen, en bezoek het daar als je iets over Afrika wil leren. Dat is de enige manier om met dat koloniale verleden te breken, denk ik. Maar anderzijds heb ik sympathie voor de zogenaamde reorganisatie, het feit dat het museum een disclaimer bij zijn collectie plaatsten voor het eerst een kritisch perspectief op het verleden biedt. Soms is consensus krachtiger dan rechtvaardigheid, want rechtvaardigheid brengt niet automatisch vrede of verbetering.

De dubbele gevoelens behoud ik tijdens mijn hele tocht door het museum. Bijvoorbeeld in de zaal over het wetenschappelijke en geologische onderzoek dat het museum samen met Afrikaanse partnerinstellingen uitvoert. De omschrijving op de muur vermeldt dat het museum door Leopold II is gebouwd met “winst” uit Congo. “Met de winst uit de Onafhankelijke Congostaat zette de vorst een ambitieus bouwprogramma op.” Op zich klinkt dat best lovenswaardig. Maar waarom heeft het museum het over “winst” in plaats van plunderingen? Ik raak nog meer in de war bij de volgende zin: “Dat de opbrengsten van de Onafhankelijke Congostaat naar België vloeiden en niet in Congo bleven, zorgde tot in het parlement voor ophef.” Welke ophef heeft daar precies plaatsgevonden?

Door dit zo te benoemen zonder verdere uitleg te verschaffen, geeft het museum de indruk het verleden wit te wassen. Omdat ik vermoed dat dit niet de bedoeling is, vind ik het een gemiste kans dat het museum in zijn omschrijvingen geen scherpe taal hanteert om onrechtvaardige handelingen uit het verleden expliciet te veroordelen. Want je kunt prima de handelingen van het verleden veroordelen zonder dat je het België en de Belgen van nu veroordeelt. Dat is de crux. Als je diplomatieke taal hanteert om een omstreden koloniaal verleden te omschrijven, functioneer je – bewust of onbewust – als poortwachter voor dat koloniale verleden.

Het was heel leuk om te vernemen dat Afrika zoveel culturen heeft. Dat wist ik allemaal niet.

De volgende zalen bevatten hele rijke collecties. De culturen van Centraal-Afrika (lees: Congo, Burundi en Rwanda) worden zo rijk en gedetailleerd mogelijk gepresenteerd. Neem bijvoorbeeld de naamgeving van een kind. Dat gebeurt in veel Afrikaanse culturen niet zomaar. In een video leggen verschillende Afrikanen die in België wonen uit wat hun namen betekenen en hoe er in hun cultuur namen worden gegeven. Zo hebben sommige stammen een speciale naam voor het eerste of het zevende kind.

Ik ben onder de indruk van de duizenden objecten die het museum toont en wat ze zeggen over de vele culturen en rituelen op het Afrikaanse continent. Ik leer bij over het Congo- en Luba-koninkrijk. Ik leer bij over de geheime genootschappen, paradebijlen, maskers, houten beelden en geloofsovertuigingen. Ik verneem ook hoe er in Centraal-Afrika nagedacht wordt over de relatie tussen het leven en de dood. De doden leven te midden van ons en verdienen evenveel respect. Zij kunnen ooit terugkeren, via reïncarnatie bijvoorbeeld. Wij staan in relatie met zij die ons voorgingen en zij die na ons zullen komen.

Ik ben niet de enige die na een bezoek aan deze zalen het gevoel krijgt iets nieuws te hebben geleerd, naar een nieuwe wereld te zijn gebracht. Die wereld verschilt radicaal van mijn leven in Antwerpen. “Ik vond het heel leuk om te vernemen dat Congo en Afrika zoveel culturen hebben. Dat wist ik allemaal niet”,vertelt een jonge twintiger met een Belgische moeder en een Congolese vader. Haar broer heeft gemengde gevoelens. Hij vindt het ook mooi dat het museum deze rijke Afrikaanse cultuur tentoonstelt voor mensen die, zoals hij, daar niets of vrij weinig vanaf wisten. Maar hij huivert voor exotisering. “Als je een expositie over de Japanse cultuur hebt, wordt die door Japanners georganiseerd. Alleen als het op Afrika aankomt, mogen anderen hun cultuur tentoonstellen.” Hij vindt dat dit een museum over het koloniale verleden van België moet zijn. Zijn zus en moeder stemmen daarmee in, en geven aan dat ze weinig van dat verleden in het museum terugzien. “Het is in ieder geval weggestopt”, zegt de moeder.

Het museum probeert wel, voor zo ver dat mogelijk is, de oorsprong van alle collectiestukken te vermelden. Dat is transparant, en maakt de koloniale erfenis van de hele collectie zichtbaar.

Over een ding was iedereen die ik sprak het eens: de flora- en faunacollectiestukken zijn spectaculair. Duizenden soorten gesteenten die de natuurlijke rijkdom van Centraal-Afrika representeren. Een opgezette giraf, olifant of okapi en tientallen anderen opgezette dieren. Honderden, zo niet duizenden soorten vlinders. Tientallen soorten opgezette vogels, slangen en slakken. Het is voor mij duizelingwekkend.Hoe is het gelukt om al deze stukken duizenden kilometers ver te transporteren naar België, en met welk doel?

Constructieve houding

Als ik tegenover het ivoren hoofd van Leopold II sta (dat uit de centrale hal is weg gehaald en nu in een hokje is weg gestopt), hoor ik twee vrouwen in de zestig achter mij praten over de belofte van de Franse president Emmanuel Macron om koloniale roofkunstwerken terug te brengen naar hun land van oorsprong. Hij gaf de auteurs Bénédicte Savoy (Frankrijk) en Felwine Sarr (Senegal) de opdracht te onderzoeken hoe die artefacten teruggeven kunnen worden. In een rapport aan de Franse president adviseerden zij dat alle kunstvoorwerpen die zonder toestemming van Afrikanen naar Frankrijk zijn gebracht, teruggebracht moeten worden als de landen van afkomst daarom vragen. De president maakte kort nadien bekend dat het Musée du quai Branlyin Parijs zesentwintig kunstvoorwerpen die in 1892 door het Franse leger uit Benin werden geroofd, gerestitueerd zullen worden. De Franse president stelde ook voor om in 2019 een internationale conferentie over de teruggave van koloniaal cultureel erfgoed te organiseren.

Het is onwaarschijnlijk dat de Franse president volledig recht zal doen aan de koloniale erfenis, maar zijn besluit over de roofkunst wordt geloofd. Sindika Dokolo, een Congolese zakenman die geroofde kunst koopt en naar het continent terugbrengt,stelde dat het besluit van Macron geen precedent kende. “Macron heeft een doos van Pandora geopend”, zei hij. Hij heeft gelijk.

Ook in België woedt er een polemiek over de koloniale erfenis van het museum en de meer dan honderdduizend collectiestukken. De inhoudelijke vernieuwing van het AfricaMuseum en het dekoloniale discours dat de organisatie naar buiten brengt, is het resultaat van die polemiek. Maar zullen het museum in Tervuren en andere instellingen in België die stukken ooit terugsturen? Dat lijkt mij onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat het museum in Tervuren nog meer samenwerkt met musea in Centraal-Afrika en kennis en expertise met hen deelt. In een interview met Radio France Internationale zei museumdirecteur Guido Gryseels dat een herstelde, gezonde communicatie tussen de voormalige kolonisator en de gekoloniseerde noodzakelijk is. Teruggave van de erfgoedstukken is niet de enige oplossing, zei hij. Niet alleen omdat landen als Congo op dit moment niet goed voor zulke stukken kunnen zorgen, maar ook omdat er veel meer mogelijk is dan alleen de teruggave van zulke stukken. Zo biedt digitalisering goede mogelijkheden voor samenwerking en kennisuitwisseling.

Gryssels en zijn team, met onder meer sociaal antropoloog Bambi Ceuppens, stralen vooral een constructieve houding uit. Die nodige houding zie je terug in hun museum, bijvoorbeeld in een speciale zaal over hedendaagse kunst en cultuur in Afrika en een zaal over Congo na de onafhankelijkheid. Beide zalen geven op hun manier een culturele en politieke introductie van Congo voor beginners. Je kunt geen AfricaMuseum hebben en alleen maar voorwerpen uit het verleden laten zien. Het is belangrijk om de hedendaagse realiteit van het continent te presenteren. Met deze twee zalen doet het AfricaMuseume en poging, maar in vergelijking met andere expositieruimtes, waar bijvoorbeeld de flora en fauna uitgebreid worden gepresenteerd, zijn deze zalen over het hedendaagse Congo best bescheiden.

Hetzelfde geldt voor de zaal die speciaal is opgericht om de Afrikaanse diaspora in België in beeld te brengen. Ik ben vol verwachtingen over deze diasporazaal naar het museum gekomen,vooral omdat ze werd gepresenteerd als het ultieme bewijs voor vernieuwing, voor het feit dat het museum inclusief wil zijn. Maar ik ben vooral teleurgesteld. “Dit is een hokje. Het lijkt erop dat het museum onder externe druk tot de conclusie kwam: hier heb je jouw diasporazaal, doe er iets leuks mee”, zei ik na mijn bezoek tegen een vriendin. Met de kennis van nu weet ik dat dit misschien een te scherpe conclusie was, want iedere verandering begint met kleine stapjes. Maar het is wel teleurstellend dat opgezette dieren en andere flora en fauna zo’n prominente rol in het museum krijgen, want zij symboliseren voor mij nog steeds de koloniale dominantie van België over Centraal-Afrika. Als je de imposante planten en opgezette dieren zo prominent tentoonstelt, dan handel je nog altijd in de geest van Leopold II: bewijzen waar België als land toe in staat was door gebieden te veroveren en de controle over mensen en de natuur over te nemen.

Een museum voor iedereen

Terug in tram 44 richting Brussel vraag ik me af: wat hebben de kinderen opgestoken na zo’n middagje AfricaMuseum? Ik denk dat ze vooral de olifant, de giraffen en de wonderbaarlijke vlinders zullen onthouden. Vermoedelijk biedt het museum vooral een avontuur aan scholieren, de mogelijkheid om een paar uur lang in een nieuwe wereld te worden betoverd. Maar of ze ook iets hebben opgestoken over het koloniale verleden? Ik betwijfel het. Niet omdat er géén aandacht aan is besteed, maar wel omdat het naar mijn gevoel wordt gepresenteerd als bijzaak, als voetnoot. Je moet er echt naar op zoek gaan. Maar misschien is dat geen ramp. België is nu eenmaal een land van compromissen. Dat verklaart mogelijkwaarom ik naar huis ga met het gevoel dat ik een compromismuseum heb bezocht: een museum dat er voor iedereen wil zijn,dat recht wil doen aan ieders gevoelens.

Zullen het museum in Tervuren en andere instellingen in België de koloniale stukken ooit terugsturen?

De tram arriveert bijna in Brussel-Montgomery. Voor mij zit een Vlaamse moeder met haar zoon, een twintiger. Ze vertellen mij dat ze het fantastisch vonden. “Vroeger was het museum wel sfeervoller. Het is nu heel groot en ruim”, zegt de moeder. “Maar wel betoverend.”Haar zoon stemt in. “Het is onmogelijk om alles in één keer te zien. Wij komen nog terug”, zegt de moeder. Ik beaam.

Ik ben inmiddels naar mijn e-reader teruggekeerd en probeer de argumentatie van de filosoof Peter Singer te volgen. Misschien heeft hij wel gelijk en kan één mens het verschil maken, zijn stempel op de geschiedenis drukken. Voor de Belgen is Leopold II een man die het verschil maakte. Dat verklaart de aanwezigheid van zijn standbeelden in het hele land. Het verklaart de oprichting van het museum dat ik zojuist heb bezocht en het bestaan van de tramlijn die ik nu volg. Deze tram vertegenwoordigt het verleden, het heden en de toekomst van België, zeg ik tegen mijzelf. Dat geldt ook voor het AfricaMuseum. Het is de moeite waard om te bezoeken, want het leert je België op een verrassende manier kennen. Want alles gaat voorbij, behalve de geschiedenis.

Website AfricaMuseum

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be