Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Grenzen aan de groei. En aan het optimisme: vijftig jaar hedendaags milieubesef
0 Reacties
© NASA
© NASA © NASA
maatschappij

Grenzen aan de groei. En aan het optimisme: vijftig jaar hedendaags milieubesef

Het hedendaagse milieubesef is vijftig jaar jong. Pieter Leroy, emeritus-hoogleraar Milieu en Beleid, was er al die tijd getuige van. Wat heeft een halve eeuw maatschappelijke beroering over milieuthema’s opgeleverd voor onze kennis, onze moraliteit, onze politiek? Een stand van zaken met als leidraad recente boeken van Geert Buelens, Jaap Tielbeke, Mounir Samuel, Vincent Blok en David Van Reybrouck.

Het hedendaagse milieubesef is jarig, het wordt ongeveer vijftig. Natuurlijk is het milieubesef veel ouder, zo oud als de mensheid zelf. Maar uit opiniepeilingen en berichten in de media, de oprichting van zowel Greenpeace als ministeries voor milieu, blijkt dat het hedendaagse milieubesef start in de sleuteljaren 1968-1972. Het rapport aan de Club van Rome, Grenzen aan de groei, en de eerste wereldmilieuconferentie in Stockholm maken 1972 tot een breed erkend geboortejaar. Een halve eeuw dus. Dat leidt alom tot conferenties en publicaties, tot reünies en ingehouden feestjes.

Ingehouden, want reden voor feest is er allerminst. In het rapport aan de Club van Rome werden milieuvraagstukken nog redelijk abstract gemodelleerd. Dat ze systemisch zijn, dus intrinsiek samenhangen met (over)bevolking, economische groei, uitputting, vervuiling en kapitaal, leek toen vooral van intellectueel belang. Vijftig jaar later zijn de problemen concreter, hun systemisch karakter en samenhang duidelijker en de risico’s veel groter.

Vijftig jaar na ‘Grenzen aan de groei’ zijn de problemen concreter en de risico’s veel groter

The Great Acceleration, de grote versnelling, is een term voor de ongeziene mondiale demografische, economische en technologische groei na de Tweede Wereldoorlog. Les Trente Glorieuses voor de Fransen. De optelsom van al die exponentiële curves zorgde ook voor een versnelling en schaalvergroting van de milieuaantasting: meer uitputting van grondstoffen, grotere vervuiling op wereldschaal. De productie van allerlei niet-natuurlijke stoffen – met plastics, plutonium en PFAS als meest beruchte – luidde ook een kwalitatieve verandering van de milieuaantasting in.

Het hedendaagse milieubesef is deels een reactie op die Great Acceleration. Wetenschappers en intellectuelen waren onder de indruk van de cijfers en de curves, de modellen en de prognoses. Het leidde tot wetenschappelijk en politiek activisme met een dubbel doel: het verbeteren van onze kennis en het omzetten van die kennis in beleid. Burgers zagen de Great Acceleration in hun buurt: een nieuwe autoweg door open landschap, een rondweg vergde de afbraak van een oud stadsdeel, een extra woonwijk en industrieterrein, een afvalstort, een kerncentrale. De economische groei ging gepaard met flinke ecologische kosten. Overal in Europa kwamen burgers daartegen in het verweer. Vanuit lokaal verzet werd geleidelijk, landelijk en internationaal, een nieuwe sociale beweging gesmeed. Ook met een dubbel doel: een meer milieuvriendelijke politiek en een groter gewicht voor de burger.

Vijftig jaar later is de vraag onvermijdelijk: wat heeft het opgeleverd? Kennis is niet het probleem: die is er in overvloed. Hét probleem is: die kennis inzetten voor het keren van die curves, voor ándere politieke keuzes, voor een ándere maatschappelijke ontwikkeling.

Activisme en kennis als drijvende krachten

In Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972 kijkt Geert Buelens (dichter, essayist en hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde) terug op het jaar 1972, met nuttige uitstapjes naar wat daaraan voorafging en wat daarop zou volgen. Het boek memoreert een lange serie feiten en gebeurtenissen: van lokale milieuacties tot wereldwijde publicaties, van aansprekende metaforen (de bekende Blue Marble-foto van de aardbol) via milieurampen tot milieuconferenties.

Maar waarom noemt Buelens die geschiedenis “vergeten”? Ze is immers goed gedocumenteerd en vanuit meerdere sociaalweten­schappelijke perspectieven geïnterpreteerd. Helaas niet bij Buelens: behalve enige chronologie zit er weinig logica in het uitgebreide archiefwerk. Wat hij aan feiten aanhaalt, is nogal ongelijksoortig en uit langer lopende ontwikkelingen is soms een arbitraire episode gekozen. Aan een inhoudelijke of strategische analyse van het hedendaagse milieubesef, zijn ontwikkeling in vijftig tinten groen en evenveel strategieën om dat gedachtegoed te agenderen, komt Buelens niet toe.

Waarom noemt Buelens de groene geschiedenis van 1972 ‘vergeten’? Ze is goed gedocumenteerd

De hoofdboodschap is dat we “toen”, vanaf 1972 dus, al veel wisten over milieuvraagstukken, de aard en ernst ervan, maar dat met die kennis, ondanks allerlei maatschappelijk en wetenschappelijk activisme, bar weinig gebeurd is. Dat mag dan wel zo zijn, maar het waarom daarvan blijft buiten beeld: wat maakt dat de impact van het hedendaags milieubesef zo beperkt gebleven is? Natuurlijk gaat de maatschappelijke en politieke aandacht voor milieuthema’s, zoals voor andere thema’s, in die vijftig jaar op en neer. Buelens verwijst naar de up and down-agenderingscyclus: daarmee beschreef Downs, ook al in 1972, de golven in de milieu­belangstelling. Maar dat is een gedateerd en pover concept om de voortdurende agendering en de-agendering van milieuthema’s goed te begrijpen.

Ligt het aan de inhoud van het groene denken? Aan de kwaliteit van de aangedragen kennis? Aan de strategieën van de groene beweging? Aan te veel alarmisme en te weinig perspectief? Aan het conservatisme in de politiek? Aan professionele twijfelzaaiers? Aan blokkades in het politieke systeem? Aan institutioneel onvermogen? Sociale wetenschappers hebben meerdere, intussen behoorlijk robuuste verklaringen voor de beperkte politieke impact van vijftig jaar hedendaags milieubesef. Buelens is er niet aan toegekomen.

Anders dan voor Buelens is het milieuterrein voor Jaap Tielbeke, journalist bij De Groene Amsterdammer, niet nieuw. In een eerder boek, Een beter milieu begint niet bij jezelf (2020), maakte hij duidelijk hoe die slogan het milieuthema depolitiseert en de verantwoordelijkheid bij ons individuele gedrag legt. In We waren gewaarschuwd. Over een profetisch rapport en wat we er (niet) mee deden (2022) besteedt Tielbeke, zoals Buelens, veel aandacht aan wat we in 1972 over de milieuproblematiek wisten. Zoals Buelens neemt ook Tielbeke het rapport aan de Club van Rome, Grenzen aan de groei, als vertrekpunt. Dat rapport beschreef in een aantal scenario’s de mondiale samenhang tussen onder meer bevolkingsgroei, economische groei, vervuiling en uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Die ontwikkelingen bleken op den duur onhoudbaar. Sommigen hebben het rapport als alarmisme en doemdenken terzijde geschoven, anderen zagen het als een dringend appel voor verandering.

In Nederland is het rapport tot op het hoogste politieke niveau besproken, bijvoorbeeld door toenmalig minister-president Joop den Uyl cum suis. Het rapport was ook aanleiding voor wat wel de “bekering” is genoemd van toenmalig Europees Commissaris voor de Landbouw Sicco Mansholt: hij bepleitte voortaan een andere dan alleen op groei gerichte landbouw. Buelens en Tielbeke besteden daar veel aandacht aan. Daarmee overschatten ze mijns inziens de praktische invloed van Grenzen aan de groei. Op het toentertijd startende milieubeleid hadden die politiek-intellectuele discussies immers weinig invloed. Daarnaast komt geen van beide auteurs toe aan de langetermijnbijdrage van Grenzen aan de groei: bijvoorbeeld het denken in wereldomvattende systeemtermen of de fundamentele, economie-politieke breuklijn tussen “groei is nodig, de technologie zal het milieu redden” enerzijds en nulgroei, degrowth en verwante pleidooien anderzijds. Daar liggen, sinds Grenzen aan de groei, de belangrijkste politieke tegenstellingen en strategische vragen, zowel lokaal als mondiaal.

Na het referentiejaar 1972 ordent Tielbeke zijn verhaal rondom de jaartallen 1992, 2002 en 2022. Dat zijn niet alleen jaren van grote milieuconferenties, het zijn ook inhoudelijke en strategische mijlpalen. De milieukennis wordt geleidelijk preciezer, de ethische dilemma’s worden scherper, de politieke keuzes lastiger. Cruciale en verwante begrippen als Grenzen aan de groei (1972) en Planetary Boundaries (2009), of nulgroei (1970) en Doughnut Economics (2017) laten die ontwikkeling zien: de wetenschappelijke kennis vordert en tegelijk veranderen de strategieën waarmee men die kennis politiek wil agenderen. Dat móét ook, omdat de omstandigheden veranderen: van de zogenaamde consensus rondom duurzame ontwikkeling (Rio, 1992) is tien jaar later (Johannesburg, 2002) niet veel meer over, want 9/11 heeft de wereld intussen op een ander spoor gezet. Met recente, nog weer dramatischer cijfers over de klimaatverandering suggereert Tielbeke dat ook 2022 een keerpunt wordt. Zoals Buelens had ook Tielbeke het manuscript klaar voordat de oorlog in Oekraïne losbarstte.

In Wat we toen al wisten en in We waren gewaarschuwd kijken Buelens en Tielbeke enigszins vergelijkbaar terug op de agendering van het milieuthema sinds 1972. Beiden hechten veel belang aan activisme: van de milieubeweging, van wetenschappers en van een deel van de politiek. Beiden hechten veel belang aan de rol van kennis. Natuurlijk zijn activisme en kennis, met het rapport aan de Club van Rome als intussen vijftigjarig schoolvoorbeeld, essentiële drijvende krachten achter het hedendaagse milieubesef. Toch heeft dat ook andere wortels en andere effecten. Niet alleen zag de samenleving de ecologische gevolgen van The Great Acceleration en kwam daar steeds meer kennis over, het hedendaagse milieubesef wortelt ook in bredere politieke en culturele ontwikkelingen. Zo liep de Amerikaanse milieubeweging in de pas met de protestbeweging tegen de oorlog in Vietnam en vormde zij in Europa een vanzelfsprekende coalitie met de derdewereld- en de vredesbeweging.

De ontzuiling zorgde voor de politieke ruimte voor nieuwe, milieubewuste en soms uitgesproken groene partijen. Bovendien vormde het milieuthema een welhaast eeneiige tweeling met thema’s als inspraak en participatie, dus met pleidooien voor een andere verhouding tussen overheid, markt en burgers. Zeker, het milieuactivisme wortelt in kennis, maar het was ook kritisch over de gevestigde wetenschap, de grootschalige technologie en het gebrek aan contra-expertise. Dat verklaart de impact van het milieuactivisme op ons denken over kennis, over de productie en het gebruik daarvan. Tegelijkertijd had het milieuactivisme, sociologisch gezien, een hoog middenklassekarakter, met weliswaar veel aandacht voor natuurwetenschappelijke kennis maar soms weinig begrip van de sociale kwestie. Pas met de gele hesjes werd milieu en rechtvaardigheid een thema.

Kortom, een analyse van het hedendaagse milieubesef omvat meer dan activisme, kennis en de wisselende impact daarvan op de politiek.

Kloof tussen weten en doen: technocratie en moraliteit

Voor veel milieuactivisten, in de milieubeweging, de wetenschap, het bedrijfsleven en de politiek, staat één vraagstuk centraal: de kloof tussen wat de wetenschap weet en wat de politiek doet. De opeenvolgende rapporten van het VN-klimaatpanel IPCC zijn het vaakst geciteerde, maar lang niet het enige voorbeeld. Buelens en Tielbeke laten zien dat die kloof al vijftig jaar bestaat, ook rondom luchtverontreiniging, afval, mest (tegenwoordig: stikstof), pesticiden en andere. Het was en is buiten het milieuveld overigens niet veel beter met het omzetten van kennis in politiek en beleid. Laocoön, die de Trojanen waarschuwde voor de Griekse valstrik met het paard, weet ervan mee te spreken.

Voor veel milieuactivisten staat één vraagstuk centraal: de kloof tussen wat de wetenschap weet en wat de politiek doet

Er is een bibliotheek te vullen met pleidooien over hoe die kloof te overbruggen. De klimaatcrisis doet hun aantal exponentieel groeien. Klimaatactivisten zeggen immers: “We weten nu wel wat er moet gebeuren, het komt erop aan het nu ook te doen.” De meeste van die pleidooien zijn mengvormen van technocratische programma’s en oproepen tot een andere moraliteit. In het eerste geval bestookt men de politiek met kant-en-klare strategieën om de uitstoot van CO2 te reduceren, fossiele energie uit te bannen, enzovoort. Die voorstellen hebben vaak een top-downkarakter. De morele oproepen om anders te gaan leven, geïnspireerd door andere morele keuzes, mikken vooral op individuen: die zouden anders moeten eten, anders naar het werk en op reis moeten gaan: “een beter milieu begint bij jezelf.”

Jona zonder walvis. Een profetie voor Nederland van Mounir Samuel, politicoloog en journalist, is een recent voorbeeld van die mengvorm. De profeet Jona (in de Bijbel) of Younes (in de Koran) moet de goddeloze inwoners van Nineve waarschuwen dat hun stad door goddelijke woede verwoest zal worden. Maar Jona vlucht voor zijn rol als brenger van die ongemakkelijke boodschap. Na de heldere introductie van die metafoor schakelt Samuel over op een toegankelijke, zij het behoorlijk technische toelichting op de klimaatcrisis en de rol van allerlei actoren daarbij. Dat leidt tot de profetie dat Nederland verwoest zal worden tenzij het, zoals Nineve, bijtijds tot inkeer komt.

Vervolgens besteedt Samuel tientallen pagina’s aan voorstellen voor een andere klimaatpolitiek. Dat zijn veelal bekende voorstellen zoals het sluiten van alle kolencentrales; andere zijn radicaal doorontwikkeld, zoals het klimaatbestendig herinrichten van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Veel voorstellen zijn ingrijpend, zoals een flinke herziening van het belastingstelsel, andere ogen klein, maar zijn al even lastig, zoals het autovrij maken van alle binnensteden. Kennelijk dus dapperder dan Jona brengt Samuel zijn ongemakkelijke boodschap. Veel van zijn voorstellen zijn noodzakelijk. Maar zonder goddelijke tussenkomst zullen ze lastig realiseerbaar zijn.

Een nieuwe ontologie als uitkomst?

In de wortels van het hedendaagse milieubesef schuilt nog een ándere strategie om de kloof tussen kennis en politiek aan te pakken: een kritische blik op het verteken(en)de karakter van onze kennis, zoals de cartesiaanse scheiding van feiten en waarden, en de dichotomie tussen natuur en cultuur. In de jaren 1970 inspireerden bijvoorbeeld de denkers Herbert Marcuse, Theodore Roszak, Ivan Illich en Ernst Friedrich Schumacher het hedendaagse milieubesef met dat type kritiek op de moderniteit.

De in oktober 2022 overleden socioloog en filosoof Bruno Latour past in die rij als een inspirator van het huidige milieu- en klimaatdebat – zij het in een heel andere toonaard. Latour noemt de dichotomie tussen de mens en de niet-menselijke natuur een modernistische pretentie: wij pretenderen iets anders te zijn dan de rest van de natuur, wij pretenderen die niet-menselijke natuur te controleren. Geen van beide klopt. De niet-menselijke natuur blijkt evenzeer een sociale actor: een virus kan een samenleving platleggen, een klimaatcrisis kan de mensheid bedreigen. Coronacrisis en klimaatcrisis hebben daarom deels vergelijkbare oorzaken: het pretentieuze menselijke binnendringen in complexe en gevoelige natuurlijke systemen, op viraal of mondiaal niveau.

In Van wereld naar aarde. Filosofische ecologie van een bedreigde planeet van Vincent Blok, filosoof aan Wageningen Universiteit, zit een echo van die gedachtelijn. In de inleiding verwoordt Blok zijn kritiek op onze vertekenende wetenschappelijke kennis. Daarna rapporteert hij uitvoerig hoe een stoet van filosofen, van Aristoteles via Descartes tot Kant, verder langs onder meer Nietzsche en Husserl, hebben nagedacht over de aarde. Eerste conclusie: er is weinig over de aarde gefilosofeerd; tweede conclusie: de aarde is vooral als een inert, passief, onverschillig en filosofisch onbelangrijk ding opgevat. Dat past in een klassieke, antropocentrische filosofie waarin de mens de maat der dingen en de bron van alle zingeving is.

Blok bepleit een andere, ecocentrische ontologie van de aarde: het leven krijgt zin, niet vanuit controle over, maar juist vanuit inbedding in een ecologische omgeving. Dat pleidooi is weinig verrassend. Het volgt op een uitvoerige literatuurstudie. Die is bij tijd en wijle echter onnavolgbaar complex en ingewikkeld, inhoudelijk zowel als redactioneel. Als een nieuwe ontologie politieke impact wil hebben, moet ze toch zeker verstaanbaar zijn.

Alle macht aan de burger?

De kolonisatie van de toekomst van David Van Reybrouck, archeoloog, filosoof en schrijver, is de integrale weergave van de Huizinga-lezing die hij in 2021 hield. Ook hier komt het rapport aan de Club van Rome uit 1972 langs, ook hier gaat het over de kloof tussen wat we weten maar nog steeds nalaten te doen. Dat nalaten leidt tot het koloniseren van de toekomst: ons niet-handelen beperkt de vrijheidsgraden en de opties voor de toekomst. Natuurlijk verwijst Van Reybrouck met het woord kolonisatie naar zijn eerdere werk: Congo. Een geschiedenis (2010) en Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (2020). Maar het begrip is hier net zo schatplichtig aan Jürgen Habermas’ these dat “het systeem” onze leefwereld koloniseert, en ons daarmee van vrijheidsgraden en creatieve oplossingen berooft.

Halverwege de tekst markeert Van Reybrouck zijn kernboodschap: “De grote kloof tussen wat de wetenschap weet en de politiek verzuimt kan het best gedicht worden door wat de burger beslist.” Dat leidt tot van Van Reybrouck bekende pleidooien voor burgerberaden, op zowel lokaal, nationaal als mondiaal niveau. De Convention citoyenne pour le climat, door president Macron ingesteld als antwoord op de gele hesjes, geldt als bruikbaar voorbeeld. Het klimaatprobleem moet een probleem van en voor burgers worden, dus horen zij zicht te hebben op hun eigen CO2-uitstoot en moeten daarvoor individuele emissierechten gelden. Ten slotte bepleit Van Reybrouck, met de charme van een ondeugende boy scout en in het spoor van Henry David Thoreau, Mahatma Gandhi, Martin Luther King en anderen, burgerlijke ongehoorzaamheid.

Van Reybrouck trekt de kaart van de burgerparticipatie: een welkom tegenwicht tegen technocratische én moraliserende voorstellen

Van Reybrouck trekt radicaal de kaart van de burgerparticipatie. Dat is een welkom tegenwicht tegen zowel technocratische als moraliserende voorstellen. De Convention citoyenne en vergelijkbare participatieve processen hebben inderdaad tot meer begrip en steun voor milieu- en klimaatbeleid geleid. Al was het maar omdat daardoor ándere opvattingen en ándere kennis aan bod komen: die van een minderbedeelde Franse plattelandsbewoner die voor zijn inkomen en welzijn geheel van een fossiel aangedreven auto afhankelijk is; of de energiearmoede van een eenoudergezin in een slecht geïsoleerd huurhuis. Toch is Van Reybrouck te optimistisch dat een ánder proces van besluitvorming ook tot ándere uitkomsten leidt. Dat doet immers geen recht aan de bekende beperkingen van burgerparticipatie: als proces op zich; als voedingsbodem voor populisme; in haar lastige koppeling met de representatieve democratie; in haar ongelijke machtsverhouding met economische belangengroepen; en in autoritaire politieke omgevingen – waar de meerderheid van de wereldburgers woont.

Langzamerhand onleefbaar

Als eerstejaarsstudent, ook vijftig jaar geleden, mocht ik het rapport aan de Club van Rome lezen. Vijftig jaar later is de kritiek erop, zowel op de methode als op de uitkomsten, goeddeels verstomd. De methode is verfijnd, de cijfers zijn geactualiseerd. Wat blijkt: de aarde ligt, als gevolg van menselijk handelen, op koers voor een desastreus scenario: geen sudden total collapse, maar een geleidelijke opwarming, voortgaande vervuiling, verschraling en aantasting, en de onvermijdelijke migratie van mensen en andere natuur uit langzamerhand onleefbare gebieden.

We wisten het vijftig jaar geleden al, we weten het steeds beter. Zijn we wel bij machte op basis van kennis te anticiperen op wat komt?

We wisten het vijftig jaar geleden al, we weten het steeds beter. Aan kennis geen gebrek. Ook niet aan ontologische en morele uitgangspunten, aan strategische programma’s en participatieve scenario’s. Is het de kloof tussen kennis en politiek? Of zijn menselijke instituties niet bij machte, op basis van louter kennis, vrijwillig en strategisch op komende omstandigheden te anticiperen? In mijn milieuhistorisch en milieupolitiek onderzoek ben ik geen voorbeelden tegengekomen van samenlevingen die, vooruitlopend op naderend onheil, zichzelf fundamenteel weten te veranderen. Aanpassen als de materiële omstandigheden daartoe dwingen, dat is het dominante scenario. Dat geeft weinig reden tot optimisme.

Boeken

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.