Publicaties
Ghent University Goes English?
2 Reacties
maatschappij
geschiedenis
taal

Ghent University Goes English?

Waarom het gedachtegoed van August Vermeylen relevant blijft in de 21ste eeuw.

Het gedachtegoed van August Vermeylen, de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit, blijft relevant nu diezelfde universiteit meer en meer en zonder veel discussie naar het Engels overschakelt voor onderwijs en onderzoek.

‘Mijn ziel erkent het oude Gent’ is een versregel uit het Gentse volkslied Klokke Roeland van Albrecht Rodenbach – de meest pathetische van onze negentiende-eeuwse dichters. In de traditie van de romantiek roept hij als een ziener de scènes van volksbewapening en gildetrots op die Gent in het verleden prachtig en machtig hebben gemaakt. Make Ghent great again anno 1877. De stem van klokke Roeland wekt het glorieuze verleden weer tot leven en maakt er in één beweging een visioen, een ideaal van, een nieuwe dagenraad voor Vlaanderen. Verleden en heden worden door het gedicht en natuurlijk vooral het samen zingen ervan, met elkaar verbonden met het oog op de toekomst.

Wat hebben wij toch altijd met dat verleden te maken

Ik vind eerlijk gezegd dat die romantische retoriek niet zo goed bij Herman Balthazar past. Voor mijn kleine eerbetoon aan mijn leermeester-historicus koos ik een citaat van August Vermeylen uit zijn tekst Vlaamsche en Europeesche beweging uit 1900, een essay dat Hans Van de Voorde en Jozef Deleu ook actualiseerden in hun recente boekje Hoe Vlaming te zijn (2017). Hiermee alluderen ze natuurlijk op ‘Om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn. Wij willen Vlamingen zijn, om Europeërs te worden’. Maar die grijsgedraaide en vaak verkeerd gedraaide woorden zijn niet mijn citaat voor Herman Balthazar. Om het vandaag met u over de blijvende relevantie van Vermeylen in de strijd tegen de verengelsing van het hoger onderwijs te hebben, dacht ik eerder aan: ‘wat hebben wij toch altijd met dat verleden te maken? De toestanden veranderen van eeuw tot eeuw en wij thans, wij zelf willen geschiedenis zijn’.

De toekomst vormgeven

De geschiedbeoefening van de ‘Gentse historische school’ is er in ieder geval niet op gericht om van het verleden (al dan niet bruikbaar) erfgoed te maken. Geef mij persoonlijk maar Bluesette van Toots Tielemans op de Gentse Beiaard en de nuchtere woorden van August Vermeylen: ‘ernstig gesproken, gelooft gij niet dat het nu hoog tijd wordt, om eens bepaald af te breken met al die Vlaamsche leeuwen en ander klatergoud, dat goedendag-gezwaai, de schim van Breydel-De Coninck-Artevelde en al het wraakgetier dat er rond bralt?’ ‘Wij strijden voor heel wat anders dan de wevers en volders van 1302’.

Historici van de Gentse school zijn veeleer geneigd geschiedenis maatschappelijk relevant te maken. Geschiedenis maken, het was niet toevallig de titel van het liber amicorum dat Bruno De Wever en ik nu al meer dan 15 jaar geleden aan Herman Balthazar aanboden ter gelegenheid van zijn emeritaat.

De geschiedenis van de Vlaamse beweging was voor Herman één van zijn geliefde onderwerpen. In lijn met de visie van August Vermeylen bestudeerde hij de Vlaamse beweging als een emancipatorische beweging, een sociale beweging. Met de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit als het brandpunt van de emancipatie van het Vlaamse ‘volk’.

Het volstaat echter niet om die geschiedenis (een beetje zoals de Guldensporenslag van 1302) nostalgisch in herinnering te brengen en vervolgens als uitvalsbasis te nemen voor een pleidooi voor het behoud van het Nederlands als onderwijstaal. ‘De toestanden veranderen immers van eeuw tot eeuw’ en wij kunnen als historici mee de toekomst vormgeven, vanuit onze kennis van het verleden en een historisch bewustzijn dat meer dan dat van de gemiddelde Vlaming ontwikkeld is door het simpele feit dat wij meer dan de gemiddelde Vlaming tijd en geld hebben gekregen om de geschiedenis van ons land kritisch te onderzoeken.

Wat was de rol en betekenis van August Vermeylen - de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit in 1930 - voor de geschiedenis van België en Europa? Wat is de relevantie van zijn gedachtegoed vandaag, nu diezelfde Gentse universiteit meer en meer en zonder veel discussie naar het Engels overschakelt voor onderwijs en onderzoek? En hééft onderwijs en onderzoek over August Vermeylen en de Vlaamse beweging überhaupt nog betekenis en relevantie op de Angelsakische onderwijs- en onderzoeksmarkt?

Eerst een beetje geschiedenis

Voor August Vermeylen was de identiteit van de Vlamingen onlosmakelijk verbonden met de status van hun moedertaal in een maatschappelijke context waar de taal onmiskenbaar een sociale breuklijn markeerde. De waardigheid, zelfstandigheid en zelfverzekerdheid van de Vlaming was afhankelijk van hoger onderwijs in het Nederlands. De Gentse universiteit moest anno 1900 vernederlandsen om een sterkere Nederlandstalige intellectuele elite te vormen die invloed kon hebben op de massa. Die elite van advocaten, artsen, leraren, filosofen, ingenieurs, historici, … zou vervolgens in een vliegwielbeweging de hele maatschappij en de ‘hogere’ cultuur in Vlaanderen helpen vernederlandsen en zo toegankelijk maken voor bredere bevolkingsgroepen dan alleen de verfranste bourgeoisie. Dat verhaal is jullie uiteraard bekend.

Merk ondertussen op dat voor August Vermeylen anno 1900 het onderscheid tussen hoge en lage cultuur vanzelfsprekend en pertinent was. Zijn concept van Vlaamse elitevorming en volksverheffing paste in een even vanzelfsprekend idee van beschaving, ontwikkeling en evolutie, als iets organisch, bijna biologisch. In ieder geval gevat in biologische metaforen in de lijn van Charles Darwin. Zijn compagnon de route Julius Mac Leod - de pleitbezorger van Hooger Onderwijs voor het Volk - ontwikkelde zelfs een eigenzinnige sociale erfelijkheidstheorie die goed aansloot bij het geloof in menselijke maakbaarheid dat de linkerzijde van het politieke spectrum toen bezielde. Van anarchist tot socialist.

De houdbaarheidsdatum van die sociaal evolutionaire concepten is 119 jaar en twee wereldoorlogen na het optimistische essay Vlaamsche en Europeesche beweging verstreken.

Als we de relevantie van Vermeylen in de context van de 21ste eeuw willen belichten, moeten we goed weten wat de geschiedenis ondertussen veranderd heeft, welke mutaties ons hebben vervreemd van het progressieve verhaal van Van Nu en Straks in 1900. En dan is Ghent University going English deel van een groter plaatje. Het grotere plaatje van een universitair bestel dat ten prooi is aan het neoliberale rendementsdenken en het 19de eeuwse bildungsideaal daaraan heeft opgeofferd.

Ik verwijs hier graag naar mijn boek Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent (2017) en de interviews met een aantal eminente collega’s die ik in het kader daarvan heb mogen voeren.

Money, money, money

Anne-Marie Musschoot bijvoorbeeld, die de Van Nu en Straks-beweging zelf goed heeft bestudeerd. Toen de UGent 200 kaarsjes uitblies, in 2017, verscheen toevallig ook het achtste en laatste deel van de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, een breed overkoepelend overzicht van de literatuur uit Nederland en Vlaanderen sinds de middeleeuwen. Een literatuurgeschiedenis in acht delen die elf vooraanstaande auteurs twintig jaar heeft gekost, is vandaag echter irrelevant geworden. ‘Er is die twee decennia iets verloren gegaan,’ vertrouwde Mieke Musschoot me toe, ‘literatuur als zodanig heeft aan relevantie verloren omdat het opgaat in een breder begrip van cultuur waar het onderscheid tussen hoge en lage cultuur vervaagt.’ Van het optillen van het volk naar de hogere cultuur is niet langer sprake. Postmodernisme, commercialisering en het internet hebben niet alleen de gezaghebbende grote verhalen ontmanteld, maar ook de wortels van de Nederlandse cultuur aangetast.

Musschoot betreurt dat. ‘Als je eenmaal je zelfstandigheid als cultuur hebt verworven, kun je die niet zomaar prijsgeven aan een andere taal of cultuur,’ stelde ze. Hoe graag ze zich ook in het Engels uitdrukt, in Philadelphia lesgeven over Nederlandse literatuur aan amper vijf studenten vindt ze een overdreven tijdsinvestering, wetende dat in Gent honderdvijftig studenten zijn ingeschreven voor je vak in het Nederlands. Het prestige eraan verbonden is omgekeerd evenredig. In de tweede helft van de jaren 1990 heeft Musschoot als decaan de verengelsing zelf mee geïntroduceerd door het vastleggen van een aantal Erasmus-windows: vakken in het Engels om buitenlandse studenten aan te trekken. Ze vindt het nog steeds onaanvaardbaar dat een discussie in schabouwelijk Engels verloopt omdat er één niet-Nederlandstalige student in de les zit. ‘Daar heb ik dus een hekel aan hé, dat cultuur moet bezwijken voor money money money.’ Een faculteit Letteren en Wijsbegeerte is het aan zichzelf verplicht het Nederlands te vrijwaren als onderwijs- en wetenschapstaal. Als de universiteit zelf het Nederlands al niet meer cultiveert, waar gebeurt dat dan nog wel?

Musschoots collega Nederlandse Taalkunde Jacques Van Keymeulen, ondertussen ook emeritus, probeerde het wegdeemsteren van het Nederlands als wetenschapstaal in zijn vakgebied – de Nederlandse Taalkunde - te dateren. Was het 2007, toen een doctoraat over het dialect van Maldegem nota bene onder zijn promotorschap volledig in het Engels werd geschreven? Of was het 2012, toen het jaarlijkse Taal en Tongval-congres het Engels als voertaal koos? Het is wel zeer ironisch dat die congressen plaatsvinden in dit eigenste gebouw, de ‘lieu de mémoire’ bij uitstek van de taalstrijd in België. Het motto ‘De Taal is Gansch het Volk’ van Prudens Van Duyse glanst in sierlijke letters op de muur terwijl de overgrote meerderheid van de lezingen in het Engels wordt gehouden, ook als iedereen in de zaal, zowel sprekers als alle toehoorders Nederlandstalig is. Sinds de neerlandistiek zelf het Nederlands niet meer gebruikt, is het voor Van Keymeulen feitelijk afgelopen met het Nederlands als wetenschapstaal.

Wat restjes Nederlands als achtergebleven erfgoed

Pro memorie: in Nederland is ondertussen driekwart van de masteropleidingen verengelst, de bacheloropleidingen volgen de trend in hoog tempo, aan de VU in Amsterdam is de bacheloropleiding Nederlandse Taal en Cultuur zelfs al geschrapt. Het gevaar is dus allesbehalve denkbeeldig dat Nederland binnen enkele jaren volledig is overgeschakeld op het Engels, met wat restjes Nederlands hier en daar als achtergebleven erfgoed dat bestudeerd wordt door een handjevol zonderlingen (zoals wij hier verzameld).

Het Nederlands raakt zo zonder pardon haar academische status kwijt in een land dat in de tijd van August Vermeylen Nobelprijswinnaars voortbracht die in het Nederlands publiceerden – Johannes Diederik Van der Waals bijvoorbeeld met zijn onderzoek op het vlak van de toestandsvergelijking van gassen en vloeistoffen (1910). Vermeylen spiegelde Vlaanderen aan Nederland, waar niet alleen filologen, historici, filosofen sinds de 19de eeuw het Nederlands als wetenschapstaal gebruikten, maar ook chemici, fysici, biologen of de geneticus Hugo De Vries, goede vriend van Julius Mac Leod.

De internationale ruimte is belangrijker dan de nationale

Vermeylen maakte zich natuurlijk geen illusies over de expansie van het Nederlands als grote internationale (wetenschaps)taal. Evenmin had hij een Nederlandse beschaving voor ogen die op enigerlei wijze los kon gezien worden van wat hij de ‘wereldcultuur’ noemde. Zich opsluiten in het Nederlands was geen optie, zich isoleren van de internationale ‘geestesbewegingen’ ook niet. Maar daar botste Vlaanderen precies op de muur van het Frans. Door de dominantie van de Franse cultuur anno 1900 leefde men in de waan dat de beschaving een Frans monopolie was, het Frans de wereldtaal en Frankrijk de onbetwiste leider van de Europese gedachtebewegingen. Die muur van het Frans sloot Vlaanderen van de wereldbeschaving af. Om iets te zijn moesten we dus Vlamingen zijn.

Tezelfdertijd merkte Vermeylen terecht op dat de geleerden sinds het verlaten van het Latijn als lingua franca niet langer een kaste vormden afgescheiden van het ‘vulgaris’ door een hermetisch idioom. Toch zag hij het Nederlands niet louter als de taal van de vulgarisatie. Tout vrai savant sait que seul l’homme qui fait la science est capable de la vulgariser de façon convenable, schreef hij in Quelques aspects de la question de langues en Belgique, een tekst uit 1918. Als een wetenschapper invloed wilde hebben op zijn volk, schreef hij in de taal van zijn volk. Maar als hij een ontdekking deed die belangrijk was voor de vooruitgang van de wetenschap in het algemeen, moest dit vanzelfsprekend gepubliceerd worden in een grote internationale taal. Frans, Duits, Engels.

Het kosmopolitisme van August Vermeylen en zijn Vlaming die Europeeër wilde worden, vertrok van het groeiende besef anno 1900 dat de internationale ruimte – Europa - belangrijker werd dan de nationale ruimte. ‘Door de snelheid der verbindingen, en ruime verspreiding van het gedrukte woord, de gestadige betrekkingen tussen de verschillende landen, wordt het ons altijd duidelijker, dat er een algemeen Europese beschaving bestaat. (…) geen geestestroming of zij golft spoedig over alle grenspalen heen. Een gedachte betaalt geen tolrecht, wordt onmiddellijk Europa door gezaaid (…) de ontwikkeling der wetenschap, en zelfs der kunst, is veel meer Europees dan nationaal. De geestesgeschiedenis van een afzonderlijk volk maakt geen geheel meer uit’.

Identiteitsnationalisme afgesneden van de internationale geestesstromingen van zijn tijd was niet aan Vermeylen besteed. Maar ook het omgekeerd provincialisme van de Franse, Duitse, Britse geleerden bekeek hij kritisch. Hij zag hoe de hegemonie van het Frans, Duits of Brits veel meer gericht was op het ‘eigen’ land dan de wetenschappers uit kleine landen met hun minder expansieve talen die verplicht waren om over grenzen en muren te kijken en dus automatisch veel meer Europees en internationaal dachten. August Vermeylen zelf was tijdens het interbellum de Belgische vertegenwoordiger bij het ‘International Committee for Intellectual Cooperation’, voorloper van de UNESCO. Meertaligheid werd toen al onontbeerlijk geacht om naast de Volkenbond en het machtsspel van de internationale politiek een internationale ‘société des esprits’ tot stand te zien komen.

Strijd om marktaandeel

In diezelfde geest beoogde ook het Erasmusprogramma dertig jaar geleden (1987) de onderdompeling in de taal en cultuur van de ontvangende universiteit. Eenheid in verscheidenheid, zoals Vermeylen Europa zag.

De Bolognahervormingen hebben het kosmopolitisme van Erasmus echter verlaten voor het rendementsdenken. Het hoger onderwijs werd en wordt dienstbaar gemaakt aan de Europese onderwijsmarkt waar competitie het sturende principe is. In Nederland is de strijd om het Europese marktaandeel de voornaamste motor van de verengelsing. Volledig Engelstalige opleidingen oefenen er een enorme aantrekkingskracht uit op buitenlandse studenten, die als ze uit de Europese Economische Ruimte (EER) komen, aan de publiek gefinancierde universiteiten relatief goedkoop een diploma kunnen verwerven.

Nederland spiegelt zich aan Vlaanderen

Het heeft desastreuze effecten op de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs. Daar is de laatste tijd in Nederland heel wat om te doen. Ik zal niet de enige zijn in deze zaal die begin april 2019 de oproep heeft getekend aan de Tweede Kamer om de verengelsing van het onderwijs een halt toe te roepen.

Een interessante twist in de geschiedenis is dat Nederland zich anno 2019 aan Vlaanderen spiegelt. Hier is de taalwetgeving op het hoger onderwijs een belangrijke erfenis van de Vlaamse beweging. ‘Vergeleken met de wetgeving en wetshandhaving in Vlaanderen zijn we in Nederland te laconiek geweest’, klinkt het in de oproep aan de Tweede Kamer.

Toch zet de verengelsing zich ook aan de Vlaamse universiteiten met rasse schreden door. In 2012 werd het wettelijke taalregime een eerste keer versoepeld – paradoxaal genoeg door technocratische regels in te voeren. Uit het ‘Advies taalbeleid’ van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) van februari 2017 bleek dat de Vlaamse universiteiten vragende partij zijn om de taalteugels nog meer te vieren - met die technocratische regels als bijkomend argument. Een vraag die ook gehoord wordt – ik verwijs naar het verkiezingsprogramma van de CD&V, en vraag u tussen de regels te lezen:

‘We versterken de internationale focus van ons hoger onderwijs, door samenwerking en mobiliteit, drempels weg te werken voor de instroom van buitenlands talent en het netwerk met Vlaamse studenten en academici in het buitenland te benutten. De versoepeling van het strikte taalbeleid biedt mogelijkheden, zonder dat de vooraanstaande plaats van het Nederlands als academische taal in twijfel wordt getrokken. We verruimen het anderstalig aanbod in het hoger onderwijs, zodat zowel binnen de hogescholen als de universiteiten er meer ruimte komt voor anderstalige opleidingen, in een goede verhouding met het Nederlandstalig aanbod. Uiteraard blijft het Nederlands cruciaal als onderwijstaal, maar een verruiming van het aantal anderstalige opleidingen is wenselijk voor een sterke positionering en aantrekkingskracht van onze instellingen in het Europees en internationaal hoger onderwijslandschap. We geven onze hoger onderwijsinstellingen de nodige autonomie en vertrouwen’.

Lees: de wettelijke verankering en de technocratische regeltjes kunnen op de schop.

De Angelsaksische wetenschaps- beoefening sluit ons op in de niches van internationale tijdschriften en congressen

Het standpunt van N-VA klinkt daartegenover zwakjes: ‘Wat met opleidingen in een andere taal? Willen onze universiteiten internationaal van betekenis blijven, dan moeten we ervoor zorgen dat we die andere talen zeer goed beheersen. Dat is echter iets anders dan alle opleidingen dan maar in het Engels organiseren. Niemand is erbij gebaat dat de afgestudeerde bachelor verpleegkunde zeer goed Engels kan, maar de patiënten niet begrijpt. Nederlands is en blijft essentieel in het hoger onderwijs’.

Een ontgrendeling van het taalregime en het prijsgeven van de taal aan de vrije Europese onderwijsmarkt zoals in Nederland zullen echter niet tot een bevordering van de meertaligheid of anderstaligheid leiden, maar tot de overwinning van de sterkste en meest prestigieuze taal, het Engels. Wie de academische status van het Nederlands wil behouden en beschermen, moet de positie van onze taal aan de hogeschool en universiteit dan ook wettelijk verankerd houden.

We weten allang dat universiteiten niet in een nationale ruimte opereren – dat deden ze ook niet in de tijd van Vermeylen. Dat is ook het punt niet. Het Latijn is in de humane wetenschappen die nochtans leven van de taal door een hermetisch Angelsaksisch idioom vervangen. Wie zoals in het verfranste Vlaanderen destijds volledig in een andere taal dan de taal (of beter: de talen) van de meerderheid van de bevolking wordt opgeleid, zal daarvan vervreemden. Hier komen we weer terug bij Vermeylen en het belang dat hij hechtte aan vulgarisatie en als academicus invloed hebben op ‘het volk’. Onze blik en actieradius wordt niet verruimd, maar net vernauwd door de monofocale bril van de Angelsaksische wetenschapsbeoefening die ons opsluit in de niches van internationale tijdschriften en congressen, zonder maatschappelijke verankering. De globalisering in academia is in die zin een pletwals die de pluraliteit en diversiteit van talen en culturen tenietdoet, denk aan het verhaal van het Nederlands in Nederland.

‘Mijn ziel erkent het oude Gent’ – met een beetje goede wil en dichterlijke vrijheid kunnen we de versregel van Rodenbach omvormen tot een slogan voor ‘glocalisering’ of het inzicht dat de globalisering in de kern ook altijd een lokale dimensie heeft die we naar waarde moeten blijven schatten. Iets wat Vermeylen op het kruispunt van zijn Vlaamsche en Europeesche Beweging ook al zag. Om iets te zijn in de globale wereld moeten we dus in ieder geval Gentenaars blijven.

Een versie van deze tekst werd op 14 mei 2019 uitgesproken tijdens ‘Mijn ziel erkent het oude Gent’, het colloquium waarmee Ons Erfdeel vzw afscheid nam van de voorzitter van haar raad van bestuur, Herman Balthazar. Hier vindt u de overige teksten en podcasts van die bijeenkomst.
Beluister hieronder de toespraak van Gita Deneckere:

JefVanStaeyen

Beste redactie,
Dat is een slordigheid.
De tekst die helemaal onderaan staat ("...deze tekst werd op 14 mei 2019 uitgesproken tijdens ‘Mijn ziel erkent het oude Gent’, het colloquium waarmee Ons Erfdeel vzw afscheid nam van de voorzitter van haar raad van bestuur, Herman Balthazar") had helemaal boven moeten staan, als inleiding.
Bijvoorbeeld: Op 14 mei 2019 nam de vzw Ons Erfdeel afscheid van haar voorzitter Herman Balthazar met een colloquium in *** met de naam "Mijn ziel...". Bij die gelegenheid hield Gita Deneckere, hoogleraar sociale geschiedenis... een redevoering. Volgende tekst is een herwerking van wat ze zei.
Zoals het er nu staat begrijp je als lezer niet hoe ze aan die titel komt, waarom ze over Herman Balthazar spreekt, en waarom over August Vermeylen, waarom over Rodenbach, en wie of wat nu in feite het onderwerp is.

fmertens

Mooi gefundeerd betoog en helemaal eens,
Ferdinand Mertens (Em. hoogleraar TU Delft)

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be