Publicaties
FC Bergman verzoent opera met imperfectie in ‘Les pêcheurs de perles’
0 Reacties
© Annemie Augustijns
© Annemie Augustijns © Annemie Augustijns
kunst

FC Bergman verzoent opera met imperfectie in ‘Les pêcheurs de perles’

Het stond in de sterren geschreven dat FC Bergman ooit de sprong zou wagen naar opera. En toch riep de aankondiging van Les pêcheurs de perles, hun regiedebuut bij Opera Vlaanderen, vragen op. Kon dit eigenzinnige theatercollectief zijn stempel drukken op deze klassieker uit het ijzeren repertoire? Hoe zou het omgaan met dirigent en cast? Hoeveel compromis zou de operamachine vragen van een gezelschap dat als compromisloos bekendstaat? Stef Aerts en Thomas Verstraeten maken de balans op aan de vooravond van zeven uitverkochte opvoeringen in de Opéra de Lille.

De match tussen FC Bergman en de opera lag om verschillende redenen voor de hand. Om te beginnen is grootschaligheid nooit een kwestie geweest: nog voor Bergman onder de vleugels van het Antwerpse Toneelhuis begon te werken maakte het op eigen kracht al locatiespektakels als Wandelen op de Champs-Elysées (2009), en met het opzienbarende JR (2018) bewezen Stef Aerts, Marie Vinck, Thomas Verstraeten en Joé Agemans dat ze weten hoe ze een enorme productiemachine moeten managen. In die zin maakte de stap van theater- naar operabühne nauwelijks een verschil, knikken Aerts en Verstraeten. Net zoals dat gebruikelijk is bij een operadecor moest ook het ontwerp voor de reusachtige theatertoren van JR twee jaar op voorhand klaar zijn.

Minder bekend is het feit dat muziek altijd al een belangrijke rol speelde in het werk van FC Bergman. Les pêcheurs de perles werd aangekondigd als een debuut, maar eigenlijk was het de bedoeling dat dat Van den vos zou zijn. Componist Liesa van der Aa had in 2013 voor de Bergmannen een volwaardige opera in gedachten maar het liep, om artistieke redenen, anders.

In die zin kwam de uitnodiging van Opera Vlaanderen, bij monde van toenmalig operadirecteur Aviel Cahn, niet als een verrassing. “We zaten er echt op te wachten”, knikt Stef Aerts. “Ondanks het feit dat collega’s ons maar bleven waarschuwen: de opera is een rigide instituut, je vrijheid wordt er beknot… Dezelfde waarschuwingen die we jaren terug hoorden toen we werden uitgenodigd door Toneelhuis. Toch is daar gaan werken een van de beste beslissingen die we ooit namen, dus we dachten: laat maar komen, die opera.” (lacht)

Verstraeten: “Het verschil is wel dat we de crew van Toneelhuis intussen zo goed kennen dat we perfect weten hoe ver we onze ideeën kunnen pushen. Bij Opera Vlaanderen was dat afwachten – als je voor het eerst bij iemand gaat eten, leg je niet meteen je voeten op tafel.” Aerts: “En toch hebben we dat min of meer gedaan.”

Zo blijkt. Wie Les pêcheurs de perles zag, moet erkennen dat het collectief er niet alleen in geslaagd is Bizets opera zelf naar zijn hand te zetten, maar ook nogal wat geplogenheden binnen de opera. Les pêcheurs is qua poëtica een echte Bergman-creatie: hij bezit de filmische kracht van 300 el x 50 el x 30 el, het vervreemdende absurdisme van Het land Nod en de existentiële tragiek rond de worstelende mens die het hele oeuvre van FC Bergman doordringt.

Het romantische libretto van Eugène Cormon en Michel Carré, die de jaloezie tussen twee boezemvrienden om een vrouw situeert in een gemeenschap van parelvissers, werd ontdaan van zijn exotisme. De hoofdpersonages Zurga, Nadir en Leila bevinden zich niet op het toenmalige Brits-Ceylon maar in een ouderlingentehuis. De gebeurtenissen spelen zich af in hun herinnering, op de drempel van de dood.

Het libretto werd ontdaan van zijn exotisme

Dat is een ingrijpende plotwijziging, maar juist de dramaturgische openheid van Les pêcheurs stond het concept toe, geeft Aerts aan. Aerts: “We hebben vooral gekozen voor Les pêcheurs omdat de opera niet zo doorgecomponeerd is als Rigoletto – de eerste opera die Aviel ons voorstelde. Les pêcheurs is een stuk toegankelijker, met een dun sprookje als basis, waardoor wij vrij waren er ons eigen concept over te leggen. Zonder te veel aan de partituur te morrelen.”

Daar komt natuurlijk de kat op de koord. In theater is de tekst al zo’n honderd jaar ontheiligd: Shakespeare wordt naar hartenlust verknipt, hertaald, in stukken gescheurd. Met een operapartituur blijft zoiets dramaturgisch erg moeilijk – en bovendien rust er nog altijd een cultureel taboe op. De partituur is heilig, er wordt niet aan geraakt. Dat betekent meteen ook dat de dirigent verschijnt als een potentieel machtige uitdager.

FC Bergman had het geluk qua muziekdramaturgie te kunnen rekenen op de expertise van Luc Joosten en op de bok te worden gesteund door de jonge Belg David Reiland. Aerts: “Je hoort een hoop horrorverhalen over regisseurs en dirigenten die elkaar de tent uitvechten. Met David verliep de samenwerking superfijn: hij liet ons alle vrijheid en hielp ons waar het nodig was.” Verstraeten: “We wisten de hele tijd dat het muzikale luik in goede handen was. Die gedeelde verantwoordelijkheid gaf enorm veel rust.”

In overleg met Joosten en Reiland werd er “niet te veel” aan de partituur gemorreld – maar toch een beetje. Aerts: “We hebben er een recitatief over een halsketting uitgehaald, omdat het de plot vertraagde, en aan het eind nog enkele maten geschrapt.” Summiere ingrepen, die toch niet op ieders instemming konden rekenen. Aerts: “Er is toch een oud dametje tegen mij komen roepen dat het een schande was dat de passage met de collier eruit was. (grijnst) Terwijl onze aanpassingen minder ingrijpend zijn dan wat bijvoorbeeld Castellucci onlangs deed, door uit De toverfluit de tekstgedeelten te schrappen.”

Een nieuwe ervaring voor Aerts, die bij FC Bergman gewoonlijk het regiewerk op zich neemt, was de samenwerking met professionele zangers. Het theater van FC Bergman boogt op rauw en fysiek acteerwerk, kwaliteiten waarvoor zangers nauwelijks worden geschoold en die ook vaak onverenigbaar zijn met de inspanning van het zingen. En toch slaagde Aerts erin om sopraan Gabrielle Philiponet (Leïla) te bewegen tot ongewone capriolen. Zo zingt Philiponet het grootste gedeelte van de opera met een masker op.

Sopraan Gabrielle Philiponet zingt het grootste gedeelte van de opera met een masker op

Aerts: “Met haar hebben we echt geluk gehad. Ze was zeer geëngageerd en stelde zich extreem flexibel op. Over dat masker maakte de hele entourage zich enorm veel zorgen – maar zij eigenlijk niet.” Bij de mannen was het zoeken naar een juiste regie-aanpak. Aerts: “In de opera is het de gewoonte om heel precies te regisseren: Ga daar staan, doe dat. Als we aan bariton Stefano Antonucci vroegen ‘Drink even van je koffie tijdens je aria’ wilde hij graag weten op welke noot hij precies z’n kopje moest vastnemen – in het theater is dat ondenkbaar. Maar ook dat was op een bepaalde manier een verademing. We kwamen net uit JR, met een reusachtige cast aan acteurs die over alles mee hun zegje willen doen. Geloof mij: dat is nog veel vermoeiender.” (lacht)

Omgekeerd was het voor de cast wellicht een bijzondere ervaring om te werken met een regisseur die tot op de laatste dag nieuwe mogelijkheden blijft zien. Aerts: “In de opera is het gebruikelijk dat je een week voor de première klaar bent. Daarna vraag je geen aanpassingen meer van je zangers. Maar op de dag van de première wilden we toch nog de eindscène aanpassen. Toen we dat aan Stefano vertelden, glimlachte hij alleen maar en zei: ‘Ik had het wel gedacht.’ Dat vond ik zo ontroerend – totaal indruisend tegen alle vooroordelen over het divagedrag van operazangers. Wij zijn voor zo veel starheid gewaarschuwd, maar we hebben, van cast tot directie, vooral bereidheid ervaren.”

Met dat laatste verwijst Aerts naar het feit dat ook Aviel Cahn door FC Bergman uit zijn comfortzone werd gehaald. Aerts: “Eigenlijk wilden we werken met gepensioneerde zangers. Wij vonden het mooi dat je zou horen dat de stemmen oud waren, of dat een stem zou overslaan – maar in de opera vindt men dat niet ‘mooi’, perfectie is de norm. Met Aviel zijn we uiteindelijk gegaan voor het compromis van een wat oudere cast. Hij heeft daarmee een risico genomen, want niet alle recensenten zagen in dat het een bewuste keuze was. In sommige vakbladen is de opera effectief afgerekend op de kwaliteit van de stemmen.”

Het imperfecte, het geïmproviseerde binnenbrengen in een context waar perfectie en efficiëntie de norm zijn – dat is wat FC Bergman zowel op artistiek als op productioneel vlak heeft gedaan. Aerts en Verstraeten kijken er met plezier op terug, al erkennen ze dat het niet vanzelfsprekend was om binnen de operamachine hun speelruimte op te eisen. De strijd om dat wél te doen maakte evenwel deel uit van het plezier.

Verstraeten: “Er zijn niet zoveel instituten over waar je nog regels kunt breken. Ik denk dat ze onze aanwezigheid best verfrissend vonden.” Aerts: “Dat hebben ze ons achteraf toch verteld. Maar misschien was dat alleen om ons gerust te stellen.” (lacht)

Les pêcheurs de perles is zeven keer te zien in de Opéra de Lille, zie de websites van FC Bergman en van de Rijselse opera.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.