Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Één totaal allerwege resoneren. ‘Verborgen tuinen’ van Anneke Brassinga
0 Reacties
© Serge Ligtenberg
© Serge Ligtenberg © Serge Ligtenberg
recensie
literatuur

Één totaal allerwege resoneren. ‘Verborgen tuinen’ van Anneke Brassinga

Ik lees nog steeds in de nieuwe bundel van Anneke Brassinga, Verborgen tuinen. En ik ben nog altijd verbijsterd. Want dít is poëzie.

Poëzie die je naar adem doet happen, ogenblikkelijk en bijna onophoudelijk. Met lange zinnen, dikwijls kronkelend rond inversies, bijzinnen en andere constructies. Met klank, met soepele ritmes en een rijke variatie aan rijmen. Met woorden, heel veel vreemde, intrigerende en vaak een beetje knarsende woorden. Met beelden die je raken, betoveren, en gedachten die je even optillen. Met humor ook. Kortom, poëzie die doet wat ze moet doen, wat ze kan doen met alle middelen die ze heeft om zich te weer te stellen tegen de dood. Of nee, beter: om mee te bewegen met alle nabije, mooie en hevige kanten van het leven om zo tegelijk de dood en de doden mee te nemen in één stroom.

Hoe ga ik dit uitleggen? Waar te beginnen? Eerst maar eens de woorden, dat is het makkelijkst. Want zoals altijd diept Brassinga de mooiste en malste woorden op uit de schatkist van de taal: “warrelklomp”, “krep op de koot”, “zwamming”, “zwelpollen”, “zwaden”, “flinskribben”, “travaat”, “woffers” – het woordenboek maakt overuren. Of ze verstelt de woorden eigenhandig: “kwellust”, “grouwelijkst”, “geprotuberanst”, “contraminerende mijnenvelden”. Heerlijk. Ik moest ook erg lachen toen ik zag hoe ze een “krukas-sensor” verkreukelde tot “Ensors karkas”. Circus Brassinga zorgt voor de broodnodige humor en weerbarstigheid, opdat we niet zullen verstikken of al te week zullen worden wanneer zij ons meevoert naar de diepere onderstroom in haar poëzie. Want in Verborgen tuinen gaat het, zoals in heel Brassinga’s werk, over leven en dood. Eerst het leven, vooral het leven, zoals in het gedicht ‘Geluk’. Voel in dit gedicht de ritmisch-syntactische flow:

(…)

er zijn waterwegen, onderstromen ook door de jaren heen
die een heden weven, deinend, schemerovertogen
waterlelieweiden zijn er en verscholen

einders achter horizon om terug te zien
naar bocht aan kustlandbaai waar het overvloeiende, gezwicht,
voortvarend en onstuitbaar schuimen ging,

bestemming had gevonden als gedempte schittering,
d’omsomberd zoele! (…)

Het duurt een tijdje voor je begrijpt wat er staat, maar de zin zelf is werkelijk overvloeiend, voortvarend en onstuitbaar, zodat je aan het eind van het gedicht echt het gevoel krijgt dat je door “de stuwen van geluk” gedreven wordt. Het is barok taalgebruik: in woordkeus, in klank, maar vooral in die lange, zich wellustig wentelende zinnen, die zo een immense ruimte of beleving oproepen. Hetzelfde gebeurt in het gedicht over Bruckners zesde symfonie:

waar zonder onderscheid het ene leven
dat u allen scheidt gaat overlopen in een wederzijdse wij

die, gebonden, ontbinden, onstuitbaar toevloeien en
verweefselen, vol botsing het kleven dat bijeen en dooreen
zich roert tot één totaal allerwege resoneren hetwelk
voor geen gehoor bestemd kan wezen, tenzij diep in ’n celkern

dit ene meebevende trildistrict.

Bent u er nog? Hier opnieuw een overlopen en toevloeien, een totaal allerwege resoneren, alleen vatbaar voor een onvatbaar, diep in ons lichaam verscholen trildistrict. Alleen dat woord al: trildistrict… zo treffend, want de bijna mystieke, kosmische eenwording middels muziek of taal is vaak een nauwelijks te benoemen lichamelijke ervaring.

Circus Brassinga zorgt voor de broodnodige humor en weerbarstigheid

Het verbaast me niks dat tussen dit kosmisch resoneren enkele door Brassinga vertaalde fragmenten van een jubelende Walt Whitman opduiken: “Ik vier mijzelf / en waar ik me mee tooi, wees jij ermee getooid, / want elk atoom dat mij toebehoort, hoort evengoed aan jou.” Net zo passend is de bijna-eenheid van natuur en taal in de, eveneens door Brassinga vertaalde en in de bundel opgenomen, eenentachtig dichtregels van de moderne Duitstalige dichter Oswald Egger: “verbolgen snuivend schuift de wolk zich hengstig uit. (…) Zoals mijn vreugde rijpt en drijft, als lelie, een klamp in de stroom.”

In deze vitale stroom worden niet alleen de levenden, maar ook de doden opgenomen

Tegelijk lijken in deze vreugdevolle en vitale stroom niet alleen de levenden, maar ook de doden opgenomen. Op een Fries kerkhof overpeinst de dichteres het leven van haar overoudmoei, genaamd IJzebrandina. Ze wil graag weten: rust IJzebrandina daar “als oude / duivelin ter kuile, duivin, diviene moer, grondsoppende / madonna vol warm gistende vrijgezellinnenmelk, (…) of waart ge ijzig, IJsje, een grijze muts met breikous”? In dit herinneren en herscheppen is er toch nog even een “mogen blijven zijn” van IJzebrandina in ons. Wat is vergaan blijft dan toch ergens aanwezig. Niet in een eenvoudig ouderwets hiernamaals, waar Brassinga duidelijk niet van gediend is, maar in de verborgen tuinen van de poëzie worden de doden bewaard.

Typisch dat dit het meest expliciet wordt verwoord in twee korte, relatief sobere gedichten. Allereerst in het gedicht ‘Gaan, blijven’ voor de overleden dichter Jacques Vogelaar:

De glazen zwaantjes van jouw woorden

vlogen weg en bleven toch – zoals licht dat wit
in kleuren breekt, of als jij die nu

voortvliegen blijft boven de verre, peinzende,
hardnekkig onbevroren zee in ons

Mallarmé-lezers zullen onmiddellijk de allusie zien op het zwaansonnet van de Franse meester – er komen overigens wel meer allusies op het werk van Mallarmé voor. Het andere gedicht is in al zijn eenvoud misschien wel het mooiste van de bundel. In ‘Wat ze zei’ belooft een vrouw dat ze er na haar dood altijd zal zijn. Alsof ze altijd mee zal zwemmen met het bootje dat ons leven is:

bij klaarlichte dag
klinkend als golfslag en des nachts lieflijk

in slaap ze zich zong als de meermin die ons,
blind van tranen, verlokte voort te varen;
o mogen we zo haar blijvend horen ongezien.

Prachtig hoe de zin zichzelf insnoert: in slaap ze zich zong als de meermin die ons verlokte voort te varen. De stille, blijvende zang houdt ons gaande. Dit ontroerende gedicht geeft heel goed de kern van Brassinga’s gedrevenheid weer, die in alle andere gedichten in vele registers, bij voorkeur in barokke en baldadige buitelingen, uitwaaiert. Daardoor kun je in Verborgen tuinen blijven lezen en steeds weer verbaasd, geamuseerd en diep geraakt zijn. Zoals ik al zei: dit is poëzie.

Anneke Brassinga, Verborgen tuinen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2019, 102 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.