Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

De toekomst van historisch Nederlands is internationaal
0 Reacties
© Christine Fourie
© Christine Fourie © Christine Fourie
Het Nederlands en de wereld
taal

De toekomst van historisch Nederlands is internationaal

Of je nu de klimaatverandering in de zeventiende eeuw onderzoekt of de inheemse bevolking van Brazilië bestudeert: wie historisch Nederlands beheerst, heeft toegang tot een schat aan informatie. De internationale belangstelling voor Nederlandstalige bronnen is groot, en dankzij de digitalisering zijn er meer teksten dan ooit beschikbaar. Maar de menselijke kennis loopt achter op de technologische vooruitgang. Het komt er dus op aan de expertise in historisch Nederlands op peil te houden. Niet alleen in het taalgebied, maar ook daarbuiten, betoogt onderzoeker Frans Blom, want Nederlandstalig erfgoed heeft een unieke status bij internationale wetenschappers.

In juni, als de buitentemperatuur flink oploopt en de airco’s gonzen tegen de achtergrond van toeterende taxi’s en sirenes, zit ik in de jaarlijkse workshop Dutch Palaeography and Archives aan Columbia University. Een week heb ik er als gastdocent het voorrecht om leergierige promovendi de weg te wijzen in Nederlandstalige handgeschreven bronnen uit de zeventiende en achttiende eeuw. In de ochtendsessies behandelt mijn collega-docent van Columbia historisch Nederlands in gedrukte teksten, ’s middags doe ik handschriften.

De belangstellenden zijn vanuit de hele VS in New York samengekomen, ook vanuit Canada, een enkeling zelfs uit Azië, omdat ze hun Nederlands graag willen verbeteren en ook archiefvaardigheden willen leren die noodzakelijk zijn voor hun kunsthistorische of historische onderzoeken. De een bestudeert trans-Atlantische handel, een ander wil meer weten over de inheemse bevolking van Brazilië, iemand doet klimaatverandering in de zeventiende eeuw, er zijn er die onderzoek doen naar Nederlandse schilders en de kunstmarkt, en een groepje uit de regio is ook altijd geïnteresseerd in de lokale geschiedenis van Manhattan of Nieuw-Nederland.

De hele week bestuderen we archiefcollecties en lezen we oude drukken en handschriften. Maandag, als we van start gaan, is altijd een moeilijke dag. Iedereen is een beetje zenuwachtig-lacherig bij de eerste aanblik van het oude schrift. We nemen onze toevlucht tot paleografische hulpmiddelen als Schriftspiegel en Het Nederlandse schrift, en we leren hoe we als niet-Nederlandstaligen toch een eind kunnen komen met het online Woordenboek der Nederlandsche Taal. Tentatief maken we wat openingen in het schrift en de taal. De een heeft meer aanleg dan de ander. Maar aan het eind van de dag heeft iedereen hoofdpijn. Dit zou wel eens een pittig weekje kunnen gaan worden.

Op dinsdag doen we social history aan de hand van brieven uit de Prize Paper-collectie. Ter inleiding vertel ik hoe ik er destijds dozen vol van voor mijn neus geserveerd kreeg in The British Archives in Kew Garden. Dat je de persoonlijke verhalen dan voorzichtig openvouwt. En dat de stem van de schrijver, die discreet verzegeld werd en lang opgesloten is geweest, dan plotseling tot je spreekt. Samen lezen we een mooie hand van een Amsterdamse moeder die zich zorgen maakt om haar zoon op de vloot, en dat-ie beter uit de buurt blijft van slechte lieden. Vooral het slot vinden ze mooi: Dat wij malkanderen met lief weeder sien mogen tot onser salycheydt, amen. En ick wensche u honderd duizend goede nachten.

’s Middags doen we Elsje Christiaens, de jonge vrouw uit Jutland die kort na haar aankomst in Amsterdam ter dood veroordeeld werd vanwege moord op haar huisbazin. Rembrandts tekeningen van het gedode meisje dat op Volewijck moest hangen tot aas van de vogels, zijn bekend onder de kunsthistorici. Nu komt het drama in volle omvang binnen, als we de handgeschreven processtukken lezen met aanhalingen uit Elsjes eigen verdediging. De eerste PhD’s werpen hun schroom af, en ’s avonds helemaal als we samen een borrel drinken op de Nederlandse taal.

Op woensdag richten we de blik op stukken van de West-Indische Compagnie (WIC) en de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Dankzij digitaliseringsprojecten die op diverse plaatsen gaande zijn, bestuderen we stukken uit verschillende collecties. Uit het Nationaal Archief komt het ooggetuigenverslag van de vulkaanuitbarsting op het Noord-Molukse eiland Ternate in 1712. De tekst in klerkenhandschrift laat zich goed lezen aan de hand van de iets latere en licht herschreven versie door François Valentijn in zijn boek Oud en Nieuw Oost-Indiën. We formuleren gedachten bij de varianten in spelling, woordkeuze en zinsbouw.

Later op de dag openen we het digitale Stadsarchief van Amsterdam en buigen we ons over lijsten met scheepslading voor de Amsterdamse coloniers aan de Suyd Revier in Nieuw-Nederland (Delaware): een bedrag van 150 gulden voor een kist met medicamenten, 85 gulden voor 50 paer Boereschoenen, 25 gulden voor 30 paer Kindere coussens divers en ook voor 4 riemen schrijffpapiers. Aan werkelijk alles in de zeventiende eeuw hangt een prijskaartje.

Donderdag is de laatste dag van de spoedcursus. De PhD-studenten kunnen haast niet meer, maar ze willen nog graag. Tijd dus voor de schilderkunst, we gaan bij Rembrandt op bezoek. Eerst bestuderen we online de boedelinventaris bij zijn faillissement zoals die in de Getty Provenance Index is te vinden. Het is een veelgeciteerde bron, en toch veren de kunsthistorici op bij schilderkunstig jargon als landschappie of tronie. Dan bestuderen we uit het Stadsarchief van Amsterdam het originele handschrift van de inventaris. Al lezend gaan we stapje voor stapje op ontdekkingsreis door de vertrekken van Rembrandts huis. Verrassend genoeg geeft het handschrift veel meer items dan alleen de schilderijen die de database van Getty eruit heeft opgenomen: Rembrandt omringde zich ook met bustes van Romeinse keizers, snuisterijen en exotische objecten als een Oostindische Poeijer doos, een Indisch koppie, een Japanse hellemet en een Moor nae ’t leven afgegooten. We komen tot slot aan bij de bibliotheek en verbazen ons over Rembrandts enorme hoeveelheid kunstboeken, prentenverzamelingen en tekeningen van de principaelste meesters vande heele weerelt.

Dan is het onverbiddelijk tijd, ons samenzijn in het historische Nederlands is voorbij. We nemen een laatste groepsfoto, ter herinnering en ook als bedankje aan de Taalunie, en gaan ieder ons weegs in de klamme avondhitte van New York.

Schat aan internationaal relevante informatie

Twee dingen treffen me telkens weer tijdens de jaarlijkse workshops Dutch Palaeography and Archives. Ten eerste is dat de onvoorstelbare rijkdom van de Nederlandstalige bronnen, de oneindige verscheidenheid van het verleden. De teksten zijn in soort, toon en inhoud zo uiteenlopend dat zelfs de meest doordachte cursus erover al snel uit zijn voegen barst. Toch is er gelukkig één zaak die de copia et varietas verbindt, en dat is precies waarom de PhD’s deze unieke cursus willen: alles is vastgelegd in de Nederlandse taal. Wie historisch Nederlands beheerst, weten zij, heeft toegang tot een schat aan informatie.

Het tweede dat me op Columbia University treft, is de internationale relevantie van de Nederlandstalige bronnen. De teksten weerspiegelen de mondiale oriëntatie en actieradius van Nederland in de vroegmoderne periode. Ze hebben niet alleen betekenis voor onderzoek naar het Nederlandse verleden, maar zijn van belang voor de geschiedenis vande heele weerelt. Binnen de cursus is het te zien aan de herkomst van de studenten, aan de teksten waar ze bij opveren en zeker ook aan de onderwerpen van het proefschrift waarvoor zij de bronnen nodig hebben.

Veel Nederlandstalig erfgoed waarvan men in eigen land de waarde minder ziet, heeft in het buitenland een unieke status

Bijna niemand van hen ambieert het om specialist te worden in onze “vaderlandse geschiedenis”, laat staan in de literaire technieken van een canonieke auteur als Vondel. Constantijn Huygens, naar wie in Nederland vele lanen, scholen en instituten zijn vernoemd, is buiten het eigen taalgebied niet de grote dichter maar de eerste getuige van Rembrandts talent. En andersom heeft veel Nederlandstalig erfgoed waarvan in eigen land de waarde minder gezien wordt, in het buitenland een unieke status. Voor veel van de gebieden waar de documenten betrekking op hebben, zijn er geen oudere geschreven documenten beschikbaar. Een Nederlandstalige bron als het VOC-verslag van de vulkaanuitbarsting op Ternate is instrumenteel in de lokale geschiedenis en geeft mogelijk antwoord op vragen over de impact van natuurgeweld op samenlevingen in de Indonesische Archipel. Zulke vragen kunnen door een veelheid van mensen en in verschillende talen geformuleerd zijn, maar antwoorden geven stemmen in het Nederlands.

Scanstraten op volle toeren

Dankzij digitalisering worden de Nederlandstalige bronnen steeds meer zichtbaar. Nederland is een van de koplopers, met de steeds rijkere sites van het Nationaal Archief, bijzondere collecties en veel gemeentelijke archieven. De scanstraten draaien op volle toeren. Buitenlandse archieven maken ook steeds meer online beschikbaar, en zo komen ook uit die collecties Nederlandstalige delen tevoorschijn. De Prize Papers zijn een goed voorbeeld. Buitgemaakt tijdens de Engels-Nederlandse oorlogen werd de overzeese correspondentie als oorlogsinformatie opgeslagen in de Londense Tower en zo raakten de brieven uit zicht. Lange tijd zijn ze in dozen weggeborgen in het depot van de British Archives. Gedigitaliseerd komen ze nu weer onder de aandacht, naar schatting zo’n veertigduizend Nederlandstalige brieven uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn online beschikbaar via de site van het Nationaal Archief.

Waar ooit bronnenschaarste het probleem was, brengt de huidige mondiale digitalisering een overvloed teweeg. Google Books doet vrolijk mee met digitalisering van oude drukken, Delpher is ronduit indrukwekkend. Internationale samenwerking van de Koninklijke Bibliotheek met collecties in binnen- en buitenland heeft daarin een digitale collectie van Nederlandse kranten opgeleverd vanaf het eerst bewaarde exemplaar van Broer Jansz uit 1618 tot de vele verschillende nieuwsbladen uit de negentiende en twintigste eeuw. De gebruiker kan er achteloos in grasduinen en zoeken, en staat er wellicht helemaal niet bij stil dat substantiële delen van deze Nederlandstalige bronnen als scans zijn aangeleverd door buitenlandse archieven in Hamburg, Stockholm, Londen en Sint-Petersburg, Paramaribo, Kaapstad of Jakarta.

Waar ooit bronnenschaarste het probleem was, brengt de huidige mondiale digitalisering een overvloed teweeg

We worden overspoeld met handschriften en oude drukken, rijp en groen, van goed leesbaar tot strepen. Het is nu eerder de kunst om door de bomen het bos te blijven zien. Ook daarbij helpt digitalisering. Goede zoekmachines en interfaces werken niet alleen als wegwijzers in individuele collecties, maar kunnen met de juiste infrastructuur queries in gekoppelde bestanden doen. Zo wordt de afstand tussen collecties en gebruikers snel kleiner. De zoekkracht neemt toe. En, bovendien, bezoekerstijden zijn online verleden tijd. Waar ook ter wereld kan men op elk gewenst moment, bijvoorbeeld tijdens de workshop op dinsdagmiddag in New York wanneer Nederland zijn tanden al staat te poetsen, de dozen voor zich op het beeldscherm laten serveren. Haarscherp komt het allemaal in beeld, tot in de fijnste details. Een handschrift dat zo moeilijk is dat het pijn aan je ogen doet, kun je inzoomen, vergroten, draaien en contrasteren zoals dat op de studiezaal zelf nooit mogelijk is geweest. En als historische bronnen nog niet online beschikbaar zijn, worden ze op bestelling gescand.

Speld in hooiberg

De digitalisering is een zegen voor het Nederlandstalige erfgoed en betekent niet minder dan een tweede leven voor het kwetsbare materiaal van oude drukken en handschriften. Maar toch kent de euforie haar grenzen. Beroemd is de anekdote van Francesco Petrarca, die in Italië boven een nieuw vanuit de Levant meegebracht handschrift van de Ilias heeft zitten wenen omdat hij het Grieks niet beheerste. Dat is wat er momenteel gebeurt. Hoe vooruitstrevend was het project om de brieven van Willem van Oranje allemaal online beschikbaar te maken, maar hoeveel mensen kunnen de correspondentie van de Vader des Vaderlands in zestiende-eeuws Frans, Latijn en Duits nu werkelijk lezen of begrijpen? De digitalisering brengt de bronnen in het zicht, en nu komt het eropaan.

De digitalisering geeft niet minder dan een tweede leven aan kwetsbare oude documenten. Toch kent de euforie haar grenzen

Er zijn tools op het gebied van handwritten text recognition (HTR), zoals Transkribus, die zich richten op het automatisch omzetten van handschriften in leesbare tekstbestanden. Dat lukt goed bij getrainde handen van bijvoorbeeld VOC-klerken. Het project Unsilencing the VOC zet HTR in, op zoek naar gemarginaliseerde groepen in de historische bronnen. Het NWO-project Globalise gaat nog een stap verder. Het werkt met de serie ‘Generale missiven’ uit de archiefcollectie ‘Overgekomen brieven en papieren’ van de VOC-collectie in het Nationaal Archief. Dat is een bijzonder groot en rijk corpus, naar schatting 105.000 folio’s, die een gedetailleerde weergave vormen van gebeurtenissen die zich afspeelden in ruwweg de hele zeventiende en achttiende eeuw in de regio waar de compagnie actief was. (Dat varieert in de tijd, maar zo’n beetje alles tussen Japan, Kaapstad en Jemen komt erin voor.)

Software wordt ingezet om de handschriften te transcriberen en te inventariseren op geografische namen, events en andere entiteiten. Zo kun je het corpus bijvoorbeeld doorzoeken op ‘Ternate’ en in de set van relevante treffers het betreffende dagregister over de vulkaanuitbarsting vinden. Digitalisering helpt dus niet alleen de zichtbaarheid van de bronnen te vergroten, maar biedt ook de nodige hulp bij het detecteren van de spelden in de almaar grotere hooiberg.

Expertise onder druk

Maar eigenlijk is de huidige stand van zaken amper verder dan toen het handschrift van de Ilias in handen van Petrarca kwam: het echte werk staat nog te beginnen. Om de bronnen te interpreteren en op waarde te schatten voor het onderzoek is kennis van de historische taal nodig. Daar ontbreekt het steeds meer aan. De menselijke kennis en vaardigheden lopen op dit gebied niet gelijk op met die van de software, maar raken achter. Door tal van factoren staat de expertise die in Nederland en Vlaanderen en elders in de wereld te vinden is, onder druk. De ruimte in het academische curriculum om kennis van het historisch Nederlands over te dragen en om nieuwe experts op te leiden, neemt paradoxaal genoeg niet toe maar af naarmate er meer bronnen beschikbaar komen.

In de internationale neerlandistiek wordt veel onderzoek gedaan op basis van Nederlandstalige bronnen, onder meer in de Verenigde Staten, Indonesië, Korea en andere landen in Azië, Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk. (De Taalunie is bezig met een rondvraag en inventarisatie, en zal daarover publiceren.) Maar tegelijk is de mogelijkheid om zich in het buitenland te bekwamen in historisch Nederlands en de historische bronnen voor onderzoek te gebruiken vaak nog geringer. Studenten en onderzoekers zijn er afhankelijk van extracurriculaire initiatieven en workshops, zoals die in New York. Het zijn intensieve momenten van kennisoverdracht, maar juist als het een beetje begint te werken, staat de student er veelal weer alleen voor. Dan resteren de oefenmodules, enkele lexicale hulpmiddelen, zoals het WNT, en voor de doorzetters een zelfstudiemethode als Mooijaert en Van der Wals Nederlands van Middeleeuwen tot Gouden Eeuw. Cursus Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands.

De internationalisering vergt een nieuw type zelfstudiemethode, die er rekening mee houdt dat de doelgroep geen native speakers van het Nederlands zijn

De toenemende zichtbaarheid van de Nederlandstalige historische bronnen en de relevantie ervan voor onderzoekers in het buitenland vragen om de ontwikkeling van faciliteiten die de expertise op het gebied van het historisch Nederlands in Nederland op peil houden en die ook buiten de grenzen van het Nederlandse taalgebied ondersteunen. De internationalisering vergt een nieuw type zelfstudiemethode, die er rekening mee houdt dat de doelgroep geen native speakers van het Nederlands zijn, dat zij andere waarden toekennen aan het Nederlandstalige erfgoed, en dat zij andere vragen aan de bronnen stellen.

De Nederlandse Taalunie erkent dat en ondersteunt de ontwikkeling van de zelfstudiemethode Dutch for Reading Knowledge – Historical Dutch door een team van Nederlandse en buitenlandse academici. Ook is het in de toekomst misschien mogelijk om de digitalisering niet alleen te gebruiken om meer content te maken en krachtigere software te ontwikkelen, maar ook een gemeenschap te faciliteren waar mensen van waar ook ter wereld elkaar online kunnen vinden met vragen en antwoorden: een Engelstalige online Dutch Sources Community van onderzoekers, studenten en belangstellenden rondom historisch Nederlandstalig bronnenmateriaal, bedoeld voor overleg en advies, en ook voor de hulpmiddelen om zelfstandig onderzoek te doen met Nederlandstalige archiefstukken. Zo’n digitale infrastructuur zou niet de verschillende archieven verbinden, maar de gebruikers ervan.

Als een onderdeel van de online Taalunie-resources zou Dutch Sources mensen in Nederland en het buitenland kunnen bijeenbrengen, ondersteunen en stimuleren om de Nederlandstalige bronnen waar ook ter wereld hun waarde te laten hebben.

Met dank aan Karlijn Waterman voor de informatie over haar onderzoek naar het gebruik van Nederlandstalige bronnen in de internationale neerlandistiek.
Dit artikel is gerealiseerd met steun van de Taalunie.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.