Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Carl Norac: ‘De taal is mijn thuisland’
0 Reacties
© Philippe Thys
© Philippe Thys © Philippe Thys
literatuur

Carl Norac: ‘De taal is mijn thuisland’

De Franstalige schrijver Carl Norac (1960) is de Belgische Dichter des Vaderlands. Ter gelegenheid van Gedichtendag getuigt hij over zijn liefde voor de Vlaamse poëzie, en het belang ervan voor zijn eigen werk.

Ik heb de gewoonte tegen mijn Oostendse vrienden te zeggen dat ook Vlaanderen me op de huid zit. Letterlijk dan. De uitdrukking heeft voor mij een intiemere betekenis dan ik hier eigenlijk wil delen. Van een roodharige voorouder, een dagloner die de Henegouwse akkers kwam bewerken, heb ik inderdaad de lichte huid geërfd. Ze is bezaaid met een indrukwekkend aantal naevi, zeg maar moedervlekken, die door artsen argwanend worden bekeken, maar die ik luchtig, opgewekt, mijn sterrenbeeld noem.

Als tiener bracht mijn fascinatie voor de fantastische literatuur en vooral voor het magisch realisme (ik wijdde er mijn eindverhandeling aan) me bij verschillende Franstalige schrijvers, wier universum vaak in Vlaanderen verankerd zat: Hellens, Ghelderode, Rodenbach, Jean Ray…

Op poëtisch vlak slingerde ik heen en weer tussen de liefde voor het surrealisme van Chavée, Dumont, Nougé, mijn bewondering voor het genie van Michaux, die je in geen enkel vakje kunt onderbrengen, en mijn verknochtheid aan het symbolisme van Verhaeren, die met zijn schorre stem de literatuur op haar grondvesten liet wankelen en die – laten we vooral dat niet vergeten – het gedicht een nieuwe eeuw binnenloodste.

In de jaren 1990 besloot ik stad na stad in Vlaanderen te verkennen met mijn oude rammelkast. Ik wilde ook de andere poëzie lezen. In het Frans was ze schier onzichtbaar. Het tijdschrift Septentrion, dat in elk nummer vertalingen publiceerde, betekende daarbij een grote hulp. Toen ik een poos later herhaaldelijk door het Gentse Poëziecentrum werd uitgenodigd om lezingen te geven met Herman de Coninck of Stefan Hertmans, had ik alvast een paar van hun gedichten gelezen.

Van toen af aan probeerde ik te achterhalen hoe ik die onzichtbare, maar tegelijkertijd dwingende grens enigszins kon doorbreken. Als jeugdauteur ging ik op zoek naar Vlaamse illustratoren. Dankzij de ontmoetingen en vriendschappen die daaruit voortvloeiden, ben ik vandaag wellicht de enige Franstalige schrijver die een vijftiental boeken heeft gemaakt met Vlaamse tekenaars, onder wie Ingrid Godon, Carll Cneut en Gerda Dendooven.

Terloops merk ik op dat mijn eerste boek met Carll Cneut werd uitgekozen om België te vertegenwoordigen op een Europese tentoonstelling van de Bibliothèque Nationale de France. Hoewel het verhaal zich ver van het vlakke land afspeelde, in Marokko, kwam het hun goed uit: een van de zeldzame boeken die op tweeërlei vlak als Belgisch kon worden bestempeld.

Ik herinner me vooral, en dat voor de rest van mijn levensdagen, dat ik op de Brusselse Foire du Livre kennismaakte met Traces, een in Zwitserland verschenen bloemlezing met gedichten van Hugo Claus.

Het lezen was, in de trein die me naar Bergen terugbracht, een ware schok. Een dichter stort zich er in de schoonheid zonder esthetiserend te zijn. Hij schrijft in een precieuze, welige taal die toch met haar voeten in de aarde geplant is, soms zelfs in het slijk. Er ontstaat een subtiel evenwicht tussen enerzijds datgene wat onverbloemd, zonder blad voor de mond, wordt gezegd en anderzijds de schitterende pracht van de taal. Ik heb een schilderij van Claus waarop hij zichzelf als bokser heeft afgebeeld. Aan de rand van de ring zit de “snurkende recensent” die hij vermeldt in het gedicht ‘Envoi’, maar zelf heeft hij er maling aan: hij steekt zijn handschoenen uit die in vrije CoBrA-kleuren openspatten: ik beschouw het als zijn poëtica.

Later, tijdens de Saint Amour-tournees met Claus, ben ik Leonard Nolens ettelijke keren tegengekomen. Op een dag zei hij op belerende toon, ja, als een professor: “Laat René Char voor wie hij is, je kunt beter een Apollinairekuur doen.” Van de reis naar die voorgeschreven overslag, naar meer transparantie breng ik verslag uit in Beeldenraper (Uitgeverij P, 2021), een boek vertaald door Hilde Keteleer, waarin teksten zijn opgenomen uit vijf van mijn boeken. De poëzie van Nolens verschilt enorm van die van Claus, net als hun persoonlijkheid trouwens, maar het evenwicht van het vers dat naadloos aansluiting vindt bij de stemmingen van het lichaam, bij de meanders van datgene wat we de ziel noemen, bij haar grenzeloze verlangens – alles is er een en al elegantie.

In Journal de gestes/Gebarendagboek, mijn tweetalige bundel die begin vorig jaar verscheen, breng ik in het langste gedicht een hommage aan Paul Snoek, een andere grote dichter die ik nog niet zo lang geleden heb leren kennen. De poëzie van de “onzichtbare zwemmer” fascineert me vanwege de manier waarop hij met tegenstrijdige gevoelens jongleert, vanwege de wanhoop waar licht en zinnelijkheid doorheen schemeren.

Als Dichter des Vaderlands/Poète national probeer ik tegenwoordig niet alleen in een taal te reizen, maar ook beter haar scheppers te leren kennen, en dan heb ik het in de eerste plaats over mijn voorgangers Charles Ducal en Els Moors, die zoveel wegen voor me hebben gebaand en me hun vriendschap hebben geschonken. Voorts ben ik ervan overtuigd dat de nieuwe generatie dichters, en in het bijzonder de dichteressen, een blijvende plek zal veroveren in de Vlaamse en Europese literatuurgeschiedenis.

Alleen al van die generatie vrouwelijke dichters heb ik poëzie gelezen van Charlotte Van den Broeck, Maud Vanhauwaert, Delphine Lecompte, Lies Van Gasse, Astrid Haerens, Amina Belôrf, en ik viel van de ene verbazing in de andere bewondering. Elk van hun werken vertolkt een persoonlijke reis, waarin hun gezicht duidelijk wordt afgetekend, de wereld zoals ze wordt geademd, gehoopt – haar deining. En dat allemaal in een vorm die me in verwarring brengt en die uiteindelijk elke code doorbreekt.

Het gevoel dat ik deel uitmaak van mijn land is de voorbije decennia alleen maar toegenomen. De twintig jaar dat ik in Frankrijk in Le Loiret woonde (1999-2019), ver van de ontmoedigende berichten over communautaire problemen, hebben me gesterkt in de overtuiging dat je méér Belg bent als je weggaat. Wellicht zal mijn bekentenis de lezer verbazen, maar ik voel me veeleer kind van een landschap dan van een taal. Of laat ik het zo zeggen: de taal is mijn thuisland.

Bij de jonge generatie vrouwelijke dichters viel ik van de ene verbazing in de andere bewondering

Zo voel ik me tegenwoordig meer thuis in een gedicht dat uit het Nederlands is vertaald dan in een gedicht van een Parijse auteur. De zin voor het surreële is er anders, net als de manier waarop de dagelijkse leefwereld aan bod komt. Vaak heeft men het over de zelfspot, de vrij luchtige wijze om voor de dingen te gaan, over sarcasme – de tegenpool van een zogenaamd subtiele ironie (dit was voor Claus essentieel: hij weigerde radicaal dat ik het over zijn gedichten had in termen van ironie).

Ook in de poëzie kiezen we vaak onze meester – over de schilderkunst wordt dat allang gezegd – maar een dergelijk vaderschap kun je tegenwoordig niet langer achter grenzen of in vakjes stoppen. Een dichter is pas zichzelf wanneer hij schrijft. In de schemering of op klaarlichte dag, altijd legt hij, zoals Cocteau zei, “zijn nacht op tafel”, en vooral zijn innerlijke landschappen. Daar, aan de achterkant van het discours, zit de inkt onder zijn nagels.

Ik voel me tegenwoordig meer thuis in een gedicht dat uit het Nederlands is vertaald dan in een gedicht van een Parijse auteur

Op een memorabele zondag, toen ik Claus voor het eerst in Antwerpen ontmoette en hem met de auto meenam naar Bergen, vertelde hij tijdens de rit, met een overvloed aan details, dat zijn “vader” zich in Parijs bevond. Hij had het over Antonin Artaud. Hij beschreef hoe hij als jongeman was weggegaan, gewoon om de man in een kroeg te zien, zonder het woord tot hem te richten, en waarom dat zijn leven had veranderd.

Zowel bij het vertrek als op de terugkeer van dergelijke reizen – mijn reis die ochtend, zijn reis eertijds – wordt elke gedachte aan welke grens ook – de grens van een land, een theorie of een poëtische school – een stipje in de diepste diepte van de horizon, ver van onze ademtocht.

Carl Norac schreef dit, nog onvertaalde gedicht bij het hierboven afgebeelde schilderij van Hugo Claus.

Ring premier

Sur un tableau d’Hugo Claus

Gant tombé, nous n’en sommes plus uniquement
à la somme de nos impatiences.
Nous frappons dans le dur des mots pour qu’ils brillent.
Nous avons été poussés tant de fois dans les cordes
que nous en fîmes des lignes, des lassos propres à étrangler,
des kermesses de poèmes, rimes baisées ou biaisées
à force d’être croisées, sonnets de pure coïncidence.
Vous saviez que le ring était là cependant,
en toute chose, que la poésie intime
le gant et la main nue ensemble.
Aussi que nous sommes comptés après la chute,
mais que le bras qui se relève
est encore au bord d’une page.

Combien de reprises aurons-nous?
Quels sparring partners?
Quel public sera avide d’un crime, même anodin?
Le poète soudain s’épongerait-il dans les coins?
Non, dans la fibre du papier,
il cherche seulement l’uppercut.

Uit de bundel: Un verre d'eau glacée, éditions Le Taillis-Pré, 2021.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.