Publicaties
De Franse Nederlanden bestaan niet meer
0 Reacties
© Paul van den Abeele
© Paul van den Abeele © Paul van den Abeele
De Franse Nederlanden
maatschappij

De Franse Nederlanden bestaan niet meer

Het jaarboek De Franse Nederlanden-Les Pays-Bas Français verscheen in 2018 voor het laatst op papier. Drieënveertig nummers lang was het door Jozef Deleu in 1976 opgerichte tijdschrift een gedegen tweetalige publicatie van 250 pagina’s met bijdragen over Noord-Frankrijk en zijn verhouding tot Vlaanderen en Nederland. De vzw Ons Erfdeel, uitgever van het jaarboek, besliste de artikelen over dat onderwerp vanaf april 2019 te publiceren op de websites www.de-lage-landen.com en www.les-plats-pays.com. Er komt geen lijkrede voor de aflijvige, maar de redactie van Ons Erfdeel vroeg me een kort overzicht te geven van de evolutie die de Franse Nederlanden in die vier decennia hebben meegemaakt, en over de kijk van de Noord-Fransen op Vlaanderen (en bij uitbreiding het Nederlandse taalgebied), en omgekeerd.

Voor ik daaraan begin, toch even dit: met de Franse Nederlanden wordt grosso modo verwezen naar de streek van Duinkerke over Rijsel (of Lille) tot Cambrai, en van Boulogne over Arras tot Avesnes-sur-Helpe, vier miljoen mensen in een streek die in talrijke opzichten op België lijkt, wat gezien de gezamenlijke Nederlandse geschiedenis én het grensoverschrijdende steenkoolbekken niet verwonderlijk is. Op bestuurlijk vlak zijn dat de departementen Nord en Pas-de-Calais. De term Frans-Vlaanderen verwijst naar een deel van de Franse Nederlanden, waarbij Vlaanderen ofwel een taalkundige (la Flandre flamingante), dan wel een graafschappelijke betekenis krijgt (met daarin ook la Flandre romane: Rijsel en Douai).

Schrijver dezes is een Fransman met migratieachtergrond, zoals dat heet: in 1953 in Merksem geboren en daar grootgebracht, sinds 1983 wonend in Frankrijk en sinds 1989 in Roubaix en later Rijsel, waar hij in 2007 Frans staatsburger werd. Mijn bijna dertig jaar Noord-Frankrijk zijn dus wat kort om de gevraagde meer dan veertig jaar te overzien – ik weet nog perfect hoe de regio er uitzag die ik in 1989 met nieuwsgierige ogen ontdekte – maar ik heb ook enkele andere ijkpunten: twee eerdere toeristische bezoeken, een mooi boek van Jozef Deleu, en nog wat lectuur.

Zwart

Noord-Frankrijk is voor mij lange tijd zwart geweest: de zwarte rook van Duinkerke die je zag als je in Nieuwpoort naar het zuidwesten keek en de grote zwarte vlek net over de grens op de Michelin-kaart nummer 2, Oostende-Brussel. Ergens in de late jaren zestig of vroege jaren zeventig heeft mijn Vlaamsvoelende vader een deel van het kroostrijke gezin meegenomen voor een dagtrip naar Frans-Vlaanderen. Kan ik onze verstomming en ontgoocheling beschrijven toen we Rijsel zagen? Zoals het oprechte Vlamingen betaamt, zochten we in die Vlaamse stad het stadhuis, de Grote Markt en de kathedraal. We vonden een betonnen belfort midden in een nieuwbouwwijk, een ondefinieerbaar plein vol auto’s en bussen, en een onafgewerkte neogotische kathedraal waarvan de voorgevel uit ruwe planken en verroeste platen bestond. De stad was grauw, maar dat waren alle steden toen. En we hoorden of zagen geen Vlaams. In allerijl zijn we naar Cassel gevlucht, hebben vanop het terras bovenop de berg (176 meter) het vlakke Vlaamse land overschouwd en op de markt een limonade of een koffie gedronken waarvan de rekening mijn vader aan het schrikken heeft gebracht: het waren oude Franse francs.

In 1975 ben ik als rugzaktoerist terug naar Rijsel gekeerd. Een aantal eerder onopgemerkte dingen heb ik toen wel gezien: de prachtige Oude Beurs, de tram op de Grand Boulevard naar Roubaix en Tourcoing en de citadel van Vauban. Mag ik mijn herinneringen vertrouwen? Die zeggen me dat er in 1975 op de rue Nationale een café Le Lion des Flandres was, een café dat er trouwens erg Vlaams uitzag. Rond 1990 heette het Manhattan – het zag er ook helemaal anders uit – en nadien zelfs Tokyo, een evolutie die tekenend is voor de kijk van de stad op zichzelf: van provinciestad naar internationale metropool. Behalve de Grand Boulevard, die nog altijd even rommelig is, is veel van het grauws dat ik in 1975 of 1989 zag vandaag mooi opgewaardeerd.

Naast me ligt Frans-Vlaanderen, een boek van Jozef Deleu met foto’s van Paul van den Abeele (Lannoo, 1972). Het is een mooi boek, maar het doet pijn. Uit ervaring weet ik dat ik de foto’s niet te veel aan mijn Franse vrienden moet tonen. Ook mij doen ze pijn. Ze zijn met veel liefde gemaakt, maar het is de soort liefde die je voelt voor een broer die verminkt uit de oorlog is thuisgekomen, of die in de fabriek of de mijnen zijn rug en zijn longen kapot heeft gewerkt. Leg die foto’s naast de helgekleurde beelden die vaak in Noord-Franse salontafelboeken of promotiebrochures staan, en je merkt wat de Noord-Fransman geacht wordt liever te zien. De werkelijkheid moet halverwege liggen, of is een deel van elk.

Van den Abeeles foto’s staan niet alleen. Het is een merkwaardige kijk die de Vlaming tot vandaag op Noord-Frankrijk heeft. Soms is het afgrijzen, dan weer bewondering, maar vaak is het heimwee dat hij zoekt. Graag wil hij in Noord-Frankrijk – in Frans-Vlaanderen – een achtergebleven regio zien, waar de tijd heeft stil gestaan. Daar wil hij zien hoe zijn eigen Vlaanderen was, voor het door de moderne tijd met brede straten, verkavelingen en weidewinkels overhoop werd gehaald. Onnodig te zeggen dat dát beeld de Noord-Fransman niet zint. En dat het minder en minder bestaat. Veel van die oude charme werd ofwel keihard opgewaardeerd dan wel vernield. Ook Noord-Frankrijk wordt modern.

Euforie

Een tijdgenoot van Deleus Frans-Vlaanderen, maar een heel ander boek, is Aménagement d’une région urbaine. Omstreeks 1971 publiceerde OREAM-Nord, een studiegroep in opdracht van het Ministère chargé du plan et de l’aménagement en onder autoriteit van de Préfet het ambitieuze boek van 413 pagina’s. Van de eerste tot de laatste pagina beklemtoonde OREAM-Nord de specificiteit van la région Nord in de Franse context, en de similariteit en complementariteit met België – met Vlaanderen én Wallonië: “un profil urbain unique en France” en “une frontière artificielle, résultat du hasard des armes et des traités”. Het was een aansporing om de regio vanuit die regionale specificiteit en vanuit de complementariteit met België vorm te geven. Le Nord werd een laboratorium voor regionaal beleid. Het jaar daarop kon een belangrijke stap worden gezet door de creatie van de région Nord-Pas de Calais als een van de tweeëntwintig nieuwe regio’s, toen nog overlegstructuren, onder leiding van de Préfets, tussen de nationale overheid en lokale politici. In 1982, toen de socialistische burgemeester van Rijsel Pierre Mauroy eerste minister was, werden de régions, middels les lois de décentralisation, volwaardige bestuursniveaus, met een verkozen raad en eigen bevoegdheden.

Toen ik in 1989 in Rijsel ging wonen en werken, heerste er een sfeer van enthousiasme. Nee, niet om mij – het was het enthousiasme dat me naar Rijsel had gelokt. Alles leek mogelijk. De Europese binnengrenzen werden opengesteld (1993), er kwam een tunnel naar Engeland, een Noord-Europese TGV en een vernieuwd wegennet. Eind 1989 verdween bovendien de grens die Europa sinds de Tweede Wereldoorlog had verdeeld, en in 1992 volgde de beslissing om een Europese eenheidsmunt in te voeren. In die euforische context werden grote stedelijke ontwikkelingsprojecten opgezet en grensoverschrijdende initiatieven gestart. Meer dan elders, véél meer dan elders lijkt me wel, waren in Rijsel en Noord-Frankrijk de verwachtingen zeer hoog gespannen dat aan het jarenlange verval en de sisyfusarbeid van moeizame heropstanding een voorspoedig einde zou komen. Iedereen was eensgezind, waar ook in de regio, en werkte samen, publiek en privé. De genoemde Pierre Mauroy heeft niet weinig bijgedragen aan al wat toen is gebeurd.

Elitisme voor iedereen

“Culturele ontwikkeling is geen luxe, het is niet wat na economische ontwikkeling komt, en evenmin het ultieme stadium van sociale rechtvaardigheid.” Dat staat te lezen in het eerste Plan régional uit 1976. Want wat eind jaren tachtig zichtbaar werd, was toen al opgestart en heeft decennialang doorgewerkt. Gedurfde keuzen waren gemaakt, met begrippen en ambities die klonken als vloeken in een (industriële) kerk: cultuur! Maar ook landschap en natuur, toerisme, universitaire opleidingen en wetenschappelijk onderzoek, internationale relaties en – wat vertrouwder lijkt, maar door zijn omvang en impact even ingrijpend is – regionale en internationale bereikbaarheid per spoor: TER, TGV en TERGV.

Een netwerk van musea, culturele centra en artistieke gezelschappen werd uitgebouwd (om de plans-reliefs naar het Palais des Beaux-Arts van Rijsel te krijgen werd ei zo na oorlog gevoerd), Rijsel (en de regio) werd culturele hoofdstad van Europa in 2004, het museum Louvre-Lens opende in 2012 en in datzelfde jaar werd het Bassin Minier als werelderfgoed erkend. Drie grote natuur- en landschapsparken werden gecreëerd en de immense mijn- en industriesites werden opgeruimd: ze maakten plaats voor nieuwe functies, recreatie of bedrijven, en voor nieuwe natuur. Menige site werd om zijn erfgoedwaarde in zijn oude glorie hersteld, of zelfs tot toeristische en educatieve attractie ingericht. Een netwerk van universiteiten werd over de regio gelegd, en voor oude en nieuwe bedrijfstakken werden competentiepolen opgezet, met als opvallendste voorbeeld EuraTechnologies in de Rijselse ecowijk Rives de la Haute Deûle. Om de energietransitie te bevorderen wordt een Troisième révolution industrielle gepromoot.

Dat alles en nog veel meer mag best een schoktherapie worden genoemd. Met een sociaal vangnet weliswaar – en begeleidende maatregelen voor opleiding, huisvesting, mobiliteit... – werd de regio en werden haar inwoners door cultuur, natuur, toerisme, universitair onderwijs, nieuwe economieën en internationale bereikbaarheid in een nieuwe tijd geprojecteerd. De industriële revolutie met haar mijnen en fabrieken was immers ook een schok geweest. Het getuigt van geloof in moderne tijden, van streven naar consensus – stad en land, tempel en kerk, belfort en fabriek, wat vaak een kenmerk van het politieke en maatschappelijke leven in Noord-Frankrijk is – en van paternalisme. Leidende figuren die samen best weten wat goed voor de mensen is. Elitisme voor iedereen, zou ik het a posteriori noemen.

Niet ingeloste beloften

Maar er zijn gaten, soms flinke gaten in het succes. Sommige cijfers blijven slecht. Noord-Frankrijk behoort tot de armste streken van het land. In kwade en minder kwade jaren is de werkloosheid (momenteel 10,7 procent) steevast twee procentpunten hoger dan het Franse gemiddelde. De hoge natuurlijke aangroei van de bevolking (0,54 procent per jaar) wordt door het negatieve migratiesaldo (min 0,44 procent) bijna volledig opgeslokt, waardoor de bevolking in vier decennia met slechts 4 procent is aangegroeid, veel minder dan Frankrijk als geheel (22 procent). Het aantal hoogopgeleide volwassenen werd weliswaar verzesvoudigd (van 4 procent naar 24 procent), maar dat is een (inter)nationale tendens, en minder dan Zuid-Frankrijk (30 procent) of Île de France (40 procent). En vooral: de bestedingen in onderzoek en ontwikkeling blijven laag: 0,7 procent van het regionaal BBP, driemaal minder dan het nationale gemiddelde.

Weliswaar heeft de tertiarisering 450.000 nieuwe arbeidsplaatsen opgeleverd, veel meer dan de 250.000 die ondertussen in de landbouw en de industrie verloren zijn gegaan, maar die tertiarisering is onvoldoende internationaal gebleken (slechts 5 procent buitenlandse aanwezigheid), en onttrekt aan het oog de desindustrialisatie van wat ooit l’usine de la France was. Met slechts 14 procent werkgelegenheid in de nijverheid is Nord-Pas de Calais vandaag minder industrieel dan Auvergne of Bretagne.

Een aantal beloften zijn niet ingelost. De verbinding met Engeland heeft niet gebracht wat werd verwacht – zelfs zonder Brexit is het een puinhoop – en de Europese binnengrenzen zijn zeer taai gebleken – als ze onder het voorwendsel van terrorisme en migratie al niet zijn versterkt. En – is het een gevolg of een van de oorzaken van het globale beeld? – er zijn wijken of zelfs steden, en hun inwoners, die onvoldoende of helemaal niet profiteren van de evoluties van de voorbije veertig jaar, op sociaal, economisch en cultureel vlak.

Op 1 januari 2016 werd de regio Nord-Pas de Calais afgeschaft. Samen met Picardië ging ze op in een groter geheel, dat korte tijd later de merkwaardige naam Hauts-de-France kreeg en bij wijze van spreken tot de poorten van de Parijse agglomeratie reikt. Het komt wel vaker voor dat een politicus die er niet in slaagt de beloofde resultaten voor te leggen, zijn toevlucht tot institutionele hervormingen zoekt. Zo ook François Hollande. Hij herschikte een rist bevoegdheden, schafte bijna de departementen af, en besliste het aantal regio’s van Europees Frankrijk van tweeëntwintig tot dertien te beperken. In de Franse politiek wordt vaak verwezen naar de kracht van de Duitse Länder, maar een fusie van régions verwart kracht met zwaarlijvigheid. Het is een eigenzinnige kijk op politieke decentralisatie wanneer regionale besturen ongevraagd worden samengevoegd. Door een merkwaardige samenloop van omstandigheden (zwaar verlies voor links – het Hollande-effect –, zeer hoge cijfers voor het extreem rechtse Front National, een kiessysteem in twee stembeurten dat aan de relatieve winnaar een absolute meerderheid in zetels geeft) zit er in die nieuwe regio nu een totaal nieuwe meerderheid van Republikeins rechts.

De grote regio Hauts-de-France is handig om het kanaal Seine-Nord te realiseren, waar in Vlaanderen veel van wordt verwacht, of om een beleid voor kustgebieden en kleinstedelijke kernen op te zetten, en de nieuwe voorzitter Xavier Bertrand toont zich graag een pragmaticus. Maar waar Nord-Pas de Calais zo’n veertig jaar geleden kon bouwen op een netwerk van actoren, een gedeelde geschiedenis en een gezamenlijke ambitie – het scenario was al geschreven toen het beleidsinstrument Région werd opgericht – staat het nieuwe bestuur van de nieuwe regio voor een wit blad, met actoren die elkaar niet kennen en instellingen die moeten worden omgevormd.

Tien jaar nadat de Noord-Fransen met les Ch’tis hun herwonnen zelfzekerheid hebben getoond – bestaat er groter trots dan zelfspot? – werd hun regio afgeschaft. Zelfs het INSEE (het nationaal statistisch bureau) en de Franse kranten zijn vergeten dat ze bestaat. Geen kaart, geen cijfer, geen titel of tabel die ze nog vermeldt. Alleen La Voix du Nord kent de regio nog. Zouden de Franse Nederlanden wel blijven bestaan?

Afstandelijk

Vlaanderen boeit Noord-Fransen, zolang het anders blijft, en ook wat onbekend

Ons Erfdeel wil van mij ook weten hoe de kijk van Noord-Fransen op Vlaanderen, en bij uitbreiding het Nederlandse taalgebied, de laatste vier decennia is geëvolueerd. Waarbij ik meteen meld dat voor Noord-Fransen het onderscheid tussen Vlaanderen en België niet altijd duidelijk is, en Nederland ondanks de nabijheid bij wijze van spreken Scandinavië is. De grensoverschrijdende relatie is allicht afstandelijker geworden. De herinnering aan de migratie en aan het Vlaams dat men soms hoorde is tot een familielegende vervaagd, en door de vermindering en nadien omkering van de grensarbeid, nu van Frankrijk naar België, zijn er in de grensstreek op de werkvloer minder collega’s uit België. De arbeider die vanuit Frankrijk naar België trekt, komt vaak in het Waalse Moeskroen of in een eentalig Franse nachtploeg terecht. Franse binnenlandse migratie en hogere opleidingen en jobs hebben de concrete kennis van Vlaanderen of België evenmin goed gedaan. Het is meer en meer buitenland geworden.

Anderzijds is de blik ook verruimd, maar niet verdiept. De grensoverschrijdende relatie is in essentie een zondagse relatie, als je begrijpt wat ik bedoel: toerisme, recreatie, winkelen en cultuur. Vlaanderen is in zijn nabijheid een exotisch land, dat je kunt eten en drinken, bekijken en beleven. De relatie is dus… lijfelijk, niet spiritueel. Staan er in de boekhandel slechts twee uit het Nederlands vertaalde boeken op de plank, dan lopen culturele centra of musea meer dan eens vol voor theater, dans en beeldende kunst. Ook voor architectuur, design, stadsvernieuwing en zelfs natuurbescherming wordt nieuwsgierig naar Vlaanderen gekeken. Het land boeit, zolang het anders blijft, en ook wat onbekend. Want, zoals het met exotische landen gaat, hoe minder je er écht van weet, over het dagelijks reilen en zeilen en wat de mensen bezighoudt, des te beter het is. Misschien zit in die afstandelijke houding, niet alleen tegenover Vlaanderen maar tegenover alle buitenland, een van de essentiële redenen waarom het Noord-Franse moderniseringsbeleid op zijn grenzen is gestoten. Wie de beleidsintenties in Noord-Frankrijk en Vlaanderen naast elkaar legt, kan alleen vaststellen dat vele kansen zijn gemist. Allicht bestaat er meer dan ooit behoefte aan initiatieven als De Franse Nederlanden, waarvoor aan beide zijden van de grens stevige schouders nodig zijn.

De Franse Nederlanden

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be