Publicaties
‘De eeuw van Jan de Lichte’ zoekt de feiten achter de fictie
0 Reacties
recensie
geschiedenis

‘De eeuw van Jan de Lichte’ zoekt de feiten achter de fictie

Een tv-serie als De bende van Jan de Lichte, naar een roman van Louis Paul Boon, kan interesse opwekken voor een wat ondergesneeuwde periode in de geschiedenis van de Lage Landen: de achttiende eeuw. In De eeuw van Jan de Lichte voeden historicus Elwin Hofman en zijn medeauteurs die belangstelling met vlot geschreven stukken voor een breed publiek. Naast historische misdadiger en romantische rebel blijkt Jan de Lichte nu ook een handig onderwijsmodel.

Voor het grote publiek, zeker in Vlaanderen, blijft de achttiende eeuw een periode van pruiken en elegante garderobes, maar ook van ingewikkelde politiek en barbaarse praktijken. De tv-serie De bende van Jan de Lichte – sinds september 2020 te zien op de Vlaamse betaalzender Streamz – zet al die elementen in de verf: het verlichte vooruitgangsoptimisme wordt naadloos verbonden met plat economisch opportunisme, bevlogen idealen als vrijheid en zelfbeschikking staan in schril contrast met machtsmisbruik, martelingen en zelfs een vorm van georganiseerde armoede. De serie schetst een grauw beeld van het achttiende-eeuwse Vlaanderen als achtergrond van het heroïsche verhaal van de ‘Robin Hood aan de Dender’, Jan de Lichte (gespeeld door Matteo Simoni).

In het boek De eeuw van Jan de Lichte gaat Elwin Hofman, samen met een schare van doorgaans jonge onderzoekers na wat er nu van aan is: klopt dit beeld wel?

Jan de Lichte is een historische figuur: hij was een struikrover, inbreker en moordenaar, die in 1748 geradbraakt werd – een van de gruwelijkste manieren van terechtstelling die de “verlichte” rechtbank aan zijn medemens kon opleggen. In de handen van Louis Paul Boon werd De Lichte echter een verzetsheld, een revolutionair avant la lettre. Boon schetste Jan de Lichte als de leider van een bende outsiders. Hun rooftochten zijn daden van verzet tegen de gevestigde, onderdrukkende macht. Dat beeld wordt overgenomen in de serie.

Op andere punten wijkt de serie overigens aanzienlijk af van Boons roman uit 1957. Sommige personages komen erbij (zoals “De Schoen”, gespeeld door Anemone Valcke), vallen weg (zoals de enigmatische “Brusselaar”) of worden anders ingevuld: in Boons roman is Tincke (Stef Aerts) bijvoorbeeld niet de boezemvriend van Jan, terwijl dat in de tv-reeks wel het geval is.

Maar de belangrijkste verschillen zijn waarschijnlijk enerzijds de uitvergrote rivaliteit tussen baljuw Baru (Tom Van Dyck) en Jan de Lichte, en anderzijds de love story tussen rebel Jan en de adellijke Héloïse Embo (Charlotte Timmers). Van die liefdesverhouding is in de roman (en in de historische werkelijkheid) geen sprake, maar door die extra verhaallijn beklemtoont de serie het contrast tussen de gekunstelde “waardigheid” van de gevestigde macht in de stad aan de ene kant en het authentieke gevoel van eigenwaarde van de “marginalen” van de bende aan de andere kant.

De serie kan interesse opwekken voor een wat ondergesneeuwde periode in de geschiedenis van de Lage Landen

Hofman corrigeert dat geromantiseerde beeld, maar doet dat niet met een opgeheven vingertje: “Een historische tv-serie is geen geschiedenisles, en gelukkig maar.” De serie kan juist interesse opwekken voor een wat ondergesneeuwde periode in de geschiedenis van de Lage Landen, en met De eeuw van Jan de Lichte willen Hofman en zijn medeauteurs die belangstelling voeden.

Dat maakt van dit boek heel bewust géén variant op de oude taalhandboekjes met het principe “zeg niet dit, maar dat”, maar een boeiende zoektocht naar antwoorden op vragen over de historische achttiende eeuw. Zo treden de academici die dit boek schreven uit hun “ivoren toren”, en reiken ze de hand aan het brede publiek.

In achttien korte hoofdstukken wordt telkens een thema of een motief uit de serie gelicht, dat gebruikt wordt om een specifiek aspect van de (Vlaamse) achttiende eeuw te belichten. In de serie is Jan de Lichte een deserteur – wat historisch gezien ook klopt – maar de politieke achtergrond van de oorlog waarin hij vocht, blijft wat vaag. In nauwelijks een tiental bladzijden weet Klaas Van Gelder een duidelijk beeld op te hangen van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), waardoor de kijker van de tv-serie en de lezer van Boons roman plotseling de verhoudingen tussen de Fransen en de Oostenrijkers beter kan plaatsen, en ook beter de tussenpositie begrijpt van de machtsgeile Vlaamse bourgeoisie.

Op het eind van elk hoofdstuk staan verwijzingen naar andere hoofdstukken in het boek die er direct mee in verband staan: Van Gelders bijdrage wordt zo verbonden met dat over ‘Revolutie’ van Tom Verschaffel en dat over ‘Laster en belastingen’ van Wouter Ryckbosch, dat op zijn beurt weer doorverwijst naar het hoofdstuk over sociale verhoudingen en armenzorg van Marjolein Schepers, en naar het stuk van Bruno Blondé en Reinoud Vermoesen over ‘De steenweg naar Brussel’. De seriekijker zal in die steenweg het prestigeproject herkennen van de (historisch niet-bestaande) Aalsterse burgemeester Coffijn (sterk vertolkt door Dirk Roofthooft).

Op die manier krijgt de lezer telkens een historische kijk op elementen uit de serie. Zoals gezegd wordt de achttiende eeuw ook wel de pruikentijd genoemd, en staat de periode bekend om de decadente jurken en pakken van de hogere klassen: een hoofdstuk over mode ontbreekt dus niet. In de serie spreken verschillende personages zowel Frans als (een variant van het) Nederlands. Ook die meertaligheid (en de sociale gelaagdheid daarvan) wordt geduid. Komen ook aan bod: de rol van de katholieke kerk in het dagelijkse leven (waarbij niet wordt weggemoffeld dat meneer pastoor ook wel eens vuile manieren had), en het beeld van seksualiteit en prostitutie (dat door de programmamakers wat al te hedendaags wordt weergegeven).

In een hoofdstuk over muziek en zingen wordt kritiek geleverd op het ontbreken van (groeps)gezang in de serie, maar krijgt de soundtrack in een kort addendum wel lof toegezwaaid. Vrouwen speelden op sociaal en economisch vlak een veel actievere rol dan in de serie wordt geïmpliceerd, maar die bespreking sluit dan weer fijntjes af met de vaststelling dat Héloïse, de (fictieve) geliefde van Jan de Lichte in de serie, de schrijfster is van het verhaal, en dat zo een vrouw toch het laatste woord krijgt.

Het boek opent met een historische anekdote die compleet afwezig is in zowel de serie als de roman. Marie Anne De Smet is een vrouw die vaak optrekt met de bende, maar de bende is een veel losser verband dan in de fictie van de reeks en de roman gesuggereerd wordt: wat haar concrete rol is, is onduidelijk. Op een avond is ze op stap met Franse soldaten – het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar tussen de regels leest men dat ze een “meisje van plezier” is. Het gezelschap komt Jan de Lichte tegen. Jan en zijn vriend Vagenende zijn al behoorlijk dronken, en beschouwen Marie Anne op slag als verraadster. Ze wordt zonder genade vermoord.

In de serie is er geen Marie Anne De Smet. Er is wel een (fictieve) Anne-Marie Mestdagh (Anne-Laure Vandeputte). Deze Anne-Marie is nauw betrokken bij de bende, maar werkt als spion voor baljuw Baru (de redenen daarvoor moet u zelf maar ontdekken als u de reeks bekijkt). Verderop in het boek bespreekt Hofman het recht op het streven naar geluk: zonder al te technisch te worden legt hij uit dat “the pursuit of happiness” als grondrecht in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 1776 staat. Zowel de historische Marie Anne als de fictieve Anne-Marie waren op zoek naar dat individuele geluk, maar Hofman plaatst die (falende) individuele strijd in het bredere kader van de maatschappelijke realiteit. Op die manier schetst hij de optimistische filosofie van de Verlichting, terwijl hij meteen ook de rauwe achttiende-eeuwse werkelijkheid blootlegt. Daar komt weinig theoretische achtergrond aan te pas, maar de lezer krijgt wel een idee van de verschillen tussen “onze” visie op de wereld en de maatschappij en die van de achttiende-eeuwers.

De achttiende eeuw was de eeuw van de rede, maar ook van het gevoel

Een ander aspect van die achttiende-eeuwse maatschappij komt aan bod in het laatste hoofdstuk, dat de spectaculaire titel ‘Aan de galg’ gekregen heeft. In een tweetal bladzijden wordt uitgelegd dat de scheiding der machten nog niet bestond, en dat publieke terechtstellingen vaak dienden ter ondersteuning van de gevestigde macht: wie de wet brak, werd streng gestraft (door de schrijvers van die wet). Gaandeweg groeide echter de afschuw en de morele afkeer van de wreedheid van de straffen: de achttiende eeuw was de eeuw van de rede, maar ook van het gevoel. Progressieve denkers suggereerden daarbovenop steeds meer dat nuttige arbeid louterend zou werken – dat is nog steeds de ideologie achter werkstraffen. In de serie wordt de (dwang)arbeid aan de eerder genoemde steenweg als uitbuiting gezien, terwijl het in de achttiende eeuw juist een heel vooruitstrevende gedachte was om door hard werken sociaal hogerop te geraken. De makers van de serie blijken net iets te veel het eenentwintigste-eeuwse denken over arbeid en armoede geprojecteerd te hebben op de achttiende eeuw.

Zo worden wel meer “fouten” in de serie blootgelegd, maar dat wordt nooit op een neerbuigende manier gedaan. Integendeel, de auteurs beschouwen het telkens als een kans om te vertellen hoe het wél zat. Op die manier krijgt de lezer een breed en genuanceerd beeld van het leven in de achttiende eeuw – wie meer wil weten, krijgt in de laatste bladzijden een beknopte leeslijst per hoofdstuk.

De auteurs van De eeuw van Jan de Lichte trekken hun neus niet op voor het hoge sensatiegehalte van die geschiedenis, maar zetten dat juist in om de aandacht van de lezer te trekken.

In de inhoudstafel van het boek worden de auteurs van de afzonderlijke hoofdstukken niet vermeld (dat gebeurt wel bij het hoofdstuk zelf), waardoor een zekere eenheid gesuggereerd wordt. Die eenheid wordt versterkt door de kruisverwijzingen bij ieder hoofdstuk, en de gedeelde houding van enerzijds respect voor de serie, en anderzijds liefde en enthousiasme voor de (Vlaamse) achttiende eeuw.

De eeuw van Jan de Lichte is toegankelijk voor een breed publiek zonder betuttelend te zijn, vlot geschreven met kennis van zaken zonder pedant te zijn. De vakspecialist zal de helderheid van de tekst toejuichen, en zal door de wijde blik waarschijnlijk nog een en ander opsteken (en kan voor meer details vertrekken van de leeslijst achterin het boek). Maar dit boek is toch vooral gericht op een breder publiek.

Wie gegrepen wordt door de serie, zal hopelijk ook Boons roman erbij nemen. Maar wie meer wil weten over wat er nu “echt” gebeurd is, vindt hier zijn gading. Dat de geschiedenis van Jan de Lichte spectaculair en meeslepend is, is mooi meegenomen. De auteurs van De eeuw van Jan de Lichte trekken hun neus niet op voor het hoge sensatiegehalte van die geschiedenis, maar zetten dat juist in om de aandacht van de lezer te trekken. Bovendien slagen ze er in om die aandacht vast te houden door telkens een helder (en verhelderend) verhaal te vertellen. Het lijkt mij dan ook een uitstekend handboek voor het onderwijs over de achttiende eeuw, of over de verhouding tussen film, literatuur en historische werkelijkheid, of over een bredere geschiedenis van recht en misdaad, of sociale (wan)toestanden, of seksualiteit, of outsiders… Jan de Lichte blijft vele deuren openbreken.

Elwin Hofman (red.), De eeuw van Jan de Lichte. Misdaad, verraad en revolutie in de achttiende eeuw, Vrijdag, Antwerpen, 2020, 170 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.