Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

‘De duivel in elk van ons’ van Christophe Busch: de meeste daders deugden ooit
0 Reacties
recensie
geschiedenis

‘De duivel in elk van ons’ van Christophe Busch: de meeste daders deugden ooit

Hoe en waarom gaan gewone mensen over tot extreem geweld, zoals in nazi-Duitsland is gebeurd? Dat onderzoekt Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut, op heldere en genuanceerde wijze in De duivel in elk van ons. Niet de dader is demonisch, wel het daderschapsproces.

In haar oorlogsdagboek Vreemdeling in eigen land vraagt de Duitse schrijfster en journaliste Anna Haag (1888-1982) zich af hoe het kan dat gewone, ogenschijnlijk respectabele en verstandige Duitsers zich zo makkelijk om de tuin laten leiden door de Führer die ze “een clown” noemt, “een bullebak”, een “hansworst die de massa’s misleidt”, “een erbarmelijk klein mens”, zelfs “een krankzinnige”. Ze hield haar dagboek voor iedereen verborgen, het kon haar in de gevangenis of een concentratiekamp doen belanden. Haar schoonzoon was een fanatieke nazi die niet zou aarzelen om haar over te dragen aan de Gestapo.

Haag vindt het onbegrijpelijk dat zovelen Hitler als een “bovengoddelijke god” zien die ze blindelings volgen en vereren. Zelfs de dichters verheerlijken “de stem van de Führer”, waarvoor enkel geestesziekte als verzachtende omstandigheid kan gelden. Het lijkt erop dat alle lagen van de bevolking zijn aangetast door de waanzin: de industriëlen, de boeren, de arbeiders, ook de intellectuelen. “Denken is tegenwoordig uit de mode”, schrijft ze in een notitie van 24 januari 1941, en ze bidt tot God om de Duitsers weer aan hun verstand te helpen.

In de volgende jaren hoort ze meer en meer geruchten en verhalen over gruwelijkheden, uitgevoerd door haar landgenoten. Op 20 januari 1944 noteert ze: “Steeds weer pieker ik over het raadsel dat mijn volk me opgeeft. Als de misdaden waar zijn die men ons ten laste legt: hoe kon dat mogelijk zijn? Waren niet veel van de misdadigers in hun jeugd door ontzetting gegrepen toen ze over de huiveringwekkende wandaden van een Nero lazen? (…) Ik kan geen soldaat meer recht aankijken zonder me af te vragen: ‘Was hij misschien ook aanwezig? Toen men Poolse vrouwen en hun kinderen doodschoot, toen men Lidice vernietigde, was hij in Oradour?’”

Anna Haag maakt scherpzinnige opmerkingen en stelt de juiste vragen. De antwoorden erop kan ze zelf niet geven. “Collectieve waanzin”, suggereert ze, maar dat roept de vraag op hoe die waanzin dan ontstaat en hoe en waarom die zovelen trof. Minstens even interessant is een vraag die ze zichzelf niet voorlegt, namelijk hoe het komt dat zijzelf eraan ontsnapte. Ze stelt met opluchting vast dat er nog andere Duitsers zijn die denken zoals zij, maar ze weet niet hoe het kan dat slechts een minderheid haar rationele en morele helderheid behoudt terwijl de massa een moordzuchtige waanzinnige achternaholt. In de periode van de Tweede Wereldoorlog, toen Haag haar dagboek schreef, was er nog geen wetenschappelijke kennis om te duiden hoe het kan dat zoveel Duitse mannen en vrouwen volkomen ontspoorden toen Hitler aan de macht was.

Hoe kan het dat slechts een minderheid haar rationele en morele helderheid behoudt terwijl de massa een moordzuchtige waanzinnige achternaholt?

Het is een vraag die de Vlaamse criminoloog en Holocaust- en genocidespecialist Christophe Busch (1977) al bezighoudt vanaf zijn tienerjaren. Busch werkte twaalf jaar in een forensisch psychiatrisch centrum, waar hij veel ervaring opdeed over daderschap. Hij begeleidde bijvoorbeeld een jonge moeder die haar kind gedood had. Dergelijke casussen deden hem al snel begrijpen dat de waarheid over zogenaamde monsterlijke misdaden nooit zwart-wit is. Vanaf 2012 leidde hij het Holocaustmuseum Kazerne Dossin in Mechelen, waarna hij directeur werd van het Hannah Arendt Instituut in dezelfde stad.

Het is lastig om iemand in ons taalgebied te vinden die met groter wetenschappelijk gezag de vragen kan beantwoorden die Anna Haag ons zo indringend voorlegt. In De duivel in elk van ons vat Busch zijn inzichten erover samen. Die zijn gebaseerd op bijna dertig jaar intensieve studie. Hij las duizenden boeken en artikelen, bezocht tal van relevante plekken om de nazihorror te doorgronden en behaalde een doctorstitel aan de Universiteit van Amsterdam, op basis van een studie over de visuele representatie van de Holocaust.

De duivel in elk van ons is opgesplitst in twee grote delen: ‘Het gezicht van het kwaad’ en ‘De analyse van het kwaad’. Na een uitvoerige uiteenzetting over Auschwitz als symbool van het kwaad, bespreekt Busch in het eerste deel vier levensverhalen die het kwaad als persoon representeren: Rudolf Höss, de commandant van Auschwitz; Adolf Eichmann, een vooraanstaande SS-functionaris die het transport van miljoenen Joden naar de concentratie- en vernietigingskampen organiseerde; Irma Grese, die kampbewaakster was in Ravensbrück, Auschwitz en Bergen-Belsen; en Marcella Gombeir, afkomstig uit Poperinge en de enige Vlaamse kampbewaarster in nazi-Duitsland. Het tweede, meer omvangrijke deel focust op het hoe en waarom: hoe kan het dat mensen die in meerdere opzichten niet verschillend zijn van u en ik, medemensen vernederen, folteren en vermoorden, of dat helpen mogelijk maken, zonder daar een greintje spijt of schuld over te voelen?

Busch bespreekt ook het levensverhaal van Karl-Friedrich Höcker, die adjudant was van de kampcommandant in Madjanek en Auschwitz. Nog op het einde van zijn leven uit Höcker zijn verontwaardiging over het onrecht dat hem is aangedaan. Hij was veroordeeld voor zijn misdaden en bracht een tijd in de gevangenis door. Van enig schuldinzicht was geen sprake. Een andere oorlogsmisdadiger zei aan zijn kleinzoon, een vriend en collega van Busch, dat hij “de mooiste tijd uit zijn leven” had meegemaakt in het concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij werkzaam was als hoofdarts en tal van gruweldaden pleegde.

Karl-Friedrich Höcker, adjudant van de kampcommandant in Madjanek en Auschwitz, was verontwaardigd over het onrecht dat hem is aangedaan

In zeven hoofdstukken geeft Busch een wetenschappelijke verklaring voor onze kwetsbaarheid voor morele ontsporing. Hij maakt korte metten met al te simplistische visies die menen dat alle SS’ers en nazi-moordenaars sadisten of psychopaten waren, of werden gehersenspoeld door de speeches van Hitler en de propaganda van Joseph Goebbels. Evenmin volgt hij de visie die Rutger Bregman in zijn populaire boek De meeste mensen deugen uiteenzet. Alsof er een ander, kleiner deel is van de mensheid dat niet deugt en verantwoordelijk is voor alle kwaad. Bregman verwerpt bovendien alle wetenschappelijke studies die niet aansluiten bij zijn opvatting, die a priori al vastligt. Busch is heel wat genuanceerder en objectiever. Beroemde experimenten zoals die van Stanley Milgram (met elektrische schokken) en Philip Zimbardo (in de gevangenis van Stanford) blijven bijzonder leerzaam, ondanks methodologische en ethische bezwaren.

Psychologische aspecten spelen ongetwijfeld een rol, maar de contextuele factoren zijn misschien nog meer van belang

Busch argumenteert overtuigend dat persoonlijkheidspsychologische aspecten ongetwijfeld een rol spelen, maar de contextuele factoren zijn evenzeer, zo niet van groter belang. Alleen een benadering die niet essentialistisch of reductionistisch is, brengt inzicht in het bijzonder complexe transitieproces van normaliteit naar extreme criminaliteit. Zoals Busch al vroeg in het boek aangeeft: het is doorgaans niet de dader die demonisch is, wel het daderschapsproces. Hoe die transitie verloopt, is de belangrijkste vraag die we moeten stellen. Busch geeft ons een wetenschappelijk onderbouwd antwoord, met kernbegrippen als blinde gehoorzaamheid, groepsdruk, dehumanisering, zwevende verantwoordelijkheid, polarisatie, radicalisering en mentale opsplitsing. Plaats dit alles in een specifieke historische, sociale, politieke en economische context, en het risico op extreem geweld duikt vrijwel onvermijdelijk op.

Een helder en dramatisch voorbeeld biedt ons het levensverhaal van Rudolf Höss. Hij nam als militair deel aan gevechten tijdens de Eerste Wereldoorlog en trad al in 1919 toe tot een zogenaamd vrijkorps, een paramilitaire vrijwilligersorganisatie. Het maakte hem al vroeg vertrouwd met een geweldscultuur. Maar Höss, zoals overigens het merendeel van nazi’s die in Auschwitz werkzaam waren, was geen ongeleid gewelddadig projectiel. Evenmin vertoonde hij tekenen van mentale instabiliteit. Integendeel, hij was zeer ordelijk, eerlijk, intelligent en plichtsbewust. Toen hij na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd opgepakt, bracht hij een tijd in de gevangenis door. Hij schreef er zijn autobiografie: Commandant van Auschwitz. Zelfportret van een beul.

Höss’ autobiografie geeft blijk van een scherp inzicht in het raderwerk van het nazisme en van de concentratie- en vernietigingskampen. Hij bekent evenwel geen schuld. In zijn visie deed hij wat hij moest doen: de grootschaligste en efficiëntste doodsfabriek ooit creëren. Hij slaagde erin om honderdduizenden mensen genadeloos de dood in te jagen, terwijl hij met zijn vrouw en vijf kinderen vlak bij de crematoria een ogenschijnlijk normaal en burgerlijk leven leidde, in de Villa Höss. De ideologie van het nazisme had zijn christelijke geloof vervangen en gaf zingeving aan zijn opdracht, hoe vreemd dit ook mag klinken. Hij optimaliseerde het vergassings- en verbrandingsproces van honderdduizenden mensen, niet zozeer omdat hij hen haatte, maar uit plichtsgevoel en omdat hij te allen tijde trouw wou zijn aan Hitler en, vooral, aan Himmler. Zoals hij schrijft in zijn autobiografie, geciteerd door Busch: “Ik heb persoonlijk geen gevangene bestolen, mishandeld of gedood. Alles wat er gebeurde, deed ik in opdracht van mijn superieuren.” Höss voerde zijn job uit, en dat wou hij zo goed mogelijk doen, binnen de contouren van de racistische ideologie die Joden als Untermenschen beschreef en zijn denken en handelen motiveerde en bepaalde.

Voor wie wil weten hoe we terreur, groepsgeweld, oorlogen en genocides kunnen begrijpen en vermijden, is De duivel in elk van ons verplichte lectuur. Tot slot, een tip: lees eerst het boek van Busch en bekijk pas daarna The Zone of Interest, de recente film over zijn leven in de villa naast Auschwitz.

Christophe Busch, De duivel in elk van ons. Van Holocaust tot terrorisme: hoe gewone mensen in staat zijn tot buitengewoon kwaad, Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2023, 848 p.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.