Publicaties
Alles moet hier anders
0 Reacties
Vanaf de zijlijn
literatuur

Alles moet hier anders

Thomas Heerma van Voss verlaat zijn schrijfkamer en ontmoet een nieuwe opdrachtgever. Dat levert fijne schrijfklussen op, tot het misgaat met die publicatie.

Omdat een betrekkelijk groot medium mij mailde met een betrekkelijk interessant verzoek, en daar ook een betrekkelijk hoog honorarium tegenover stelde, schoof ik mijn nieuwe boek kortstondig opzij en schreef het gewenste artikel. De volgende ochtend al ging het ter perse. Een week later volgde bericht van de hoofdredacteur: “Als je meer ideeën hebt, weet je me te vinden – een goede pen kunnen we hier altijd gebruiken!”

Ideeën genoeg, dat hoge honorarium sprak me ook aan, dus daar ging ik. Met de trein naar het hoofdkantoor, dat gevestigd bleek op een industrieterrein nabij Amsterdam. Ik werd opgewacht door de hoofdredacteur, een sympathieke, energieke kale man die me door het pand rondleidde alsof ik daar per direct in vaste dienst zou gaan. We stopten bij de zogeheten ‘vergaderruimte’, waar hij aan een gigantische tafel tegenover me ging zitten. Naast hem nam een langharige jongen plaats, van ongeveer mijn leeftijd. De hoofdredacteur sprak, de jongen zweeg en knikte, dat was de rolverdeling.

“Kijk, we kunnen onze redactie altijd versterken met een goede pen”, zei de hoofdredacteur. “Hij kan”, de hoofdredacteur wees naar de langharige jongen, die daar van leek te schrikken, “je vaste contactpersoon worden. De deadline is hier heilig. Ik zie voor me dat je af en toe over films en boeken schrijft, wat denk je daar zelf van?”

‘Maak je stukken niet te ingewikkeld’

Dat plan sprak mij wel aan, dus binnen tien minuten schudden we elkaars hand. De eerste deadlines werden afgesproken, de langharige jongen leidde me langs zijn bureau, dat vol lag met boeken. “We doen er helemaal niks mee. Dus jij kan aandacht geven aan wat je wilt. Maak je stukken niet te ingewikkeld.” Meer tekst bleef achterwege. Ik hoopte dat hij via zijn toetsenbord spraakzamer was, dat hij net zoals ikzelf per mail een daadkracht zou tonen die er in het dagelijks leven niet uitkwam.

Weken verstreken en ik schreef meerdere stukken voor het medium, dat nu ik in los-vaste dienst kwam minder goed bleek te betalen dan verwacht. En de langharige jongen reageerde helaas zelden op mijn mails. De dag nadat ik mijn eerste bijdrage naar hem stuurde, sloeg ik hoopvol het blad open. Veel advertenties en columns. Nergens mijn woorden of mijn naam. Wat was hier in vredesnaam gebeurd? “Vergeten”, werd twee dagen later teruggemaild. “Volgende week komt het er alsnog in.”

‘Het hoofdkantoor heeft me laten gaan. Ze vonden me… te goed’

In de maanden daarna kwam dit helaas vaker voor. Keurig op het afgesproken moment mailde ik mijn stukken, maar de langharige jongen reageerde nooit. Geen redactionele suggesties, geen complimenten. Of mijn mail überhaupt was aangekomen controleerde ik steevast door een dag later het blad open te slaan, en het was elke keer spannend of mijn bijdrage erin stond. “We zaten al vol”, kreeg ik eens achteraf te horen. Of: “We brachten een special uit vandaag, morgen komt jouw stuk erin.”

Toen werd ik gebeld. De hoofdredacteur. Hij had nooit eerder telefonisch contact met me gezocht en ik wist zeker dat hij me ging ontslaan. “Ik bel wegens het volgende…” Ik hoorde woordelijk hoe dit verder zou gaan: “Helaas Thomas, we hadden er meer van verwacht.” Maar er kwam een andere zin: “Het hoofdkantoor heeft me laten gaan. Ze vonden me… te goed. Te journalistiek. Volgende week is mijn afscheid. Kom maar langs, dat is handig als je voor ons wilt blijven schrijven, nu kent niemand je.”

Dus daar ging ik, terug naar dat industrieterrein. De vijftien, maximaal twintig medewerkers van het betrekkelijk grote medium hadden zich verzameld rondom een houten bar. Er ging een schaal met bitterballen rond, kaas, opvallend veel ossenworst. Ik raakte kort aan de praat met enkele journalisten die ik niet kende. Zij kenden mij evenmin. De langharige jongen zag ik nergens. Een man in maatpak hield een korte, onpersoonlijke toespraak voor de hoofdredacteur en noemde hem “meesterlijk” – ik vermoedde dat hij degene was die de hoofdredacteur had ontslagen.

‘Hij heeft moeten solliciteren op zijn eigen functie. Toen hebben we hem niet aangenomen‘

Toen hij een halfuur later eindelijk even alleen stond, stapte ik op de hoofdredacteur af. Ik dacht dat hij me niet herkende, maar hij omhelsde me. “Alles moet anders hier op de redactie”, zei hij een beetje in het luchtledige. Vreemd genoeg bleek dat zowel de reden te zijn waarom hij ooit was aangenomen als de reden waarom hij nu werd weggestuurd. Ik vroeg naar de langharige jongen, die had nu zelfs voor zijn doen lang niet op mijn mails gereageerd. “Tja”, zei de hoofdredacteur. “Hij heeft moeten solliciteren op zijn eigen functie. Toen hebben we hem niet aangenomen.”

Een prachtige formulering die ik overweeg ook eens te gebruiken. Tegen vrienden die ik niet meer zo nodig hoef te zien. Tegen schrijvers wiens stukken ik niet om door te komen vind. “Helaas, jij moet solliciteren op je eigen functie en je wordt niet meer aangenomen.”

Bij het weggaan omhelsde de hoofdredacteur me opnieuw. “Blijf voor ons schrijven, ook nu ik er niet meer ben. We krijgen hier zo veel boeken en dvd’s en uitnodigingen binnen, we doen er verder niets mee. Echt, van al die overbodige boeken hier kunnen we een huis bouwen.”

Daarna heb ik hem nooit meer gesproken. De langharige jongen evenmin. En zo gebeurde het dat ik voor een medium schreef waar ik niemand ooit had gezien en niemand sprak. Via via kreeg ik een mailadres van een nieuwe contactpersoon, een vrouw die op al haar mails binnen een minuut reageerde en al mijn bijdrages zowaar keurig liet afdrukken. “Bedankt”, is het enige woord dat ze ooit mijn kant op mailde. Telkens als ik haar naam in mijn inbox zag, dacht ik eerst: nu gaan ze me ontslaan, dat hele medium is aan het krimpen.

Hij had een ernstige stem en gebruikte de woorden ‘business core’, ‘bezuinigingen’ en ‘mijn bloedende journalistenhart’

Toch hield de samenwerking nog vrij lang stand. Maanden, een heel jaar. Op Twitter las ik weleens over nieuwe ontslagrondes binnen het medium en ik kreeg de indruk dat ze mij gewoonweg vergeten waren. Soms dacht ik aan de voormalig hoofdredacteur. Hoe zou het hem nu vergaan? En ik dacht aan de langharige jongen, die me ruim na zijn verstrek nog één mail stuurde: “Mijn dienstverband is ten einde. Plannen heb ik niet, maar suggesties zijn zeer welkom (evenals uitstekende aanbiedingen! ;-) ).”

Uiteindelijk rekende ik zolang op het moment dat ze mijn bijdrages zouden stoppen dat het me toch een beetje verbaasde toen dat nog kwam. Afgelopen maand werd ik gebeld door een man met wie ik nooit eerder contact had gehad. Hij had een ernstige stem en gebruikte de woorden ‘business core’, ‘herbezuinigingen’ en ‘mijn bloedende journalistenhart’. Ze konden geen enkele freelancer meer betalen. Hij was zo beleefd te vragen of ik het erg vond. “O”, zei ik zo achteloos mogelijk, “welnee, ik ga nu lekker een wandeling maken.” Een leugen. Ik begon direct aan deze column.

Vanaf de zijlijn

Eikel

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be