Publicaties
Ach, de voordelen van het schrijverschap
0 Reacties
© Ambassade Hotel
© Ambassade Hotel © Ambassade Hotel
column Thomas Heerma van Voss
literatuur

Ach, de voordelen van het schrijverschap

Plots bevindt Thomas Heerma van Voss zich weer in die vreemde parallelwereld waar hij vroeger ook soms min of meer per ongeluk in tuimelde: een hotel. ‘Ik weet niet zeker of ik er ooit nog toegang toe krijg en wil dus bewijzen dat ik deze uitnodiging in elk geval waard ben.’

Omdat hier gewoonlijk elke maand internationale schrijvers overnachten, omdat de meeste schrijvers al een jaar hun werkkamer nauwelijks uitkomen en zeker niet op reis gaan, en ongetwijfeld ook omdat een hotel in coronatijden lastig te vullen is, ben ik uitgenodigd om enkele dagen in het Ambassade Hotel te verblijven.

Ik sta bij de receptie, aan de Herengracht in Amsterdam. Nog voor ik iets heb gezegd, stapt een man in maatpak op me af: “Welkom, meneer Heerma van Voss.” Ik krijg een rondleiding door de benedenverdieping, gangen vol kunst, een leestafel. We eindigen bij de kamer die voor mij is gereserveerd. Een bad, een gedekte tafel, champagne die koud staat, menukaarten met drie gangen die ik kosteloos kan bestellen.

Een niet nader genoemd aantal andere schrijvers had deze uitnodiging ook ontvangen. In ruil voor een column – voor de goede orde: niet deze column – mocht ik kortstondig mijn intrek nemen in dit befaamde hotel. Direct, met een haast die hopelijk niet als wanhoop overkwam, zegde ik toe.

Bij een tijdelijk gebrek aan bekende gasten, word ik nu op deze plaats maar ontvangen alsof ík een beroemdheid ben

Zoals bekend is schrijven voor een belangrijk deel een kwestie van goed rondkijken en stilzitten, dus waar mogelijk probeer ik er in elk geval voor te zorgen dat ik niet elke dag op dezelfde plaats slijt. En bij een tijdelijk gebrek aan bekende gasten, word ik nu op deze plaats maar ontvangen alsof ík een beroemdheid ben; niet opdringerig of slijmerig, maar uiterst galant, misschien is zulke hoffelijkheid wel een vaste omgangsvorm op deze plek.

Graag zou ik in een hotel als dit wonen. Die gedachte overvalt me al binnen een uurtje na mijn aankomst. Ik klap mijn laptop direct open, drink van de champagne en schrijf meer dan ik in tijden heb gedaan. Van tevoren zei mijn vader: “Waarom zou je nu naar een hotel gaan? Dat is toch uitgestorven? Het wezen van een hotel zijn toch de andere mensen.”

Volgens mij klopt dat niet. Het wezen schuilt voor mij eerder in de mengeling van die andere gasten en de eigen privacy, de compactheid en luxe van de eigen kamer die je niet zelf hebt hoeven inrichten, de discretie van het personeel dat zich nooit onaangekondigd laat zien maar altijd paraat staat.

Mijn gedachten glijden af naar de hotels die ik eerder voor werk bezocht. De chic ingerichte kamers waar ik meer dan eens tegenover stugge muzikanten belandde – r&b-zanger Akon die een heel gesprek strak langs me heen keek, de rapper Joe Budden die me uitlachte en een tekst uitsprak die ik nog steeds weleens hoor nagalmen: “Nigga, did your boss send you? You sweatin’. You shouldn’t do this interview, you incapable. Yeah, you sweatin’ like an animal.”

Graag zou ik in een hotel als dit wonen. Die gedachte overvalt me al binnen een uurtje na mijn aankomst

Maar vooral denk ik aan de kamers waar ik zelf heb verbleven. Met mijn Duitse vertaler Ulrich Faure tijdens onze minieme, matig bezochte “tournee” door Duitsland, die ons leidde langs in slaap gesukkelde stadjes als Rödelheim en Eschborn. Toen ik net gedebuteerd was en voor het eerst ergens voor werd uitgenodigd: Crossing Border, dat midden in Den Haag praktisch een volledig hotel had afgehuurd.

Gangen die zoemden van de internationale gasten, een amicale levendigheid die tegenwoordig moeilijk voor te stellen is. Toen alle artiesten zich gezamenlijk naar Antwerpen verplaatsten, zat ik in de bus achter zangeres Laura Marling, op wie ik stiekem een oogje had en de hele rit nam ik me voor haar een compliment te maken voor haar optreden van gisteravond.

Het zijn herinneringen die zonder mijn schrijven nooit zouden zijn ontstaan en die voelen als uit een vorig leven. Komt dit ooit nog terug? De vanzelfsprekendheid waarmee alles zich voltrok, die vreemde parallelwereld waar ik af en toe min of meer per ongeluk in tuimelde. Mijn huur kon ik geregeld amper betalen, zeker rondom mijn debuut schreef ik veel verhalen die nooit iemand zag en die geen cent opleverden, maar toch is de luxe van het hotel nooit helemaal uit zicht geraakt.

Iedereen begroet elkaar hartelijk, op het uitbundige af. Alsof we na ruim een jaar eindelijk weer op een literair evenement zijn beland

Wellicht klapte ik daarom mijn laptop vlug na aankomst open, wellicht is dat wel een reden om te blijven schrijven en verzinnen: om die wereld na te jagen waarvan ik weet dat hij bestaat, ergens in mijn geheugen, in de buurt, maar ik weet niet zeker of ik er ooit nog toegang toe krijg en wil dus bewijzen dat ik deze uitnodiging in elk geval waard ben.

Op de tweede dag in het Ambassade Hotel kom ik in de rij bij de afhaallunch Jessica Durlacher tegen. Ze is hier met haar dochter Solomonica de Winter. “Neem je het er ook zo van hier?”, vraagt ze. Ik knik. Kort daarna, op het Ambassade-terras, zie ik Alma Mathijsen, ik zie Maurits Chabot, allemaal op uitnodiging van het hotel.

Iedereen begroet elkaar hartelijk, op het uitbundige af. Alsof we na ruim een jaar eindelijk weer op een literair evenement zijn beland, met mensen die je onder coronaloze omstandigheden voortdurend tegen het lijf loopt.

’s Avonds dwaal ik door de bibliotheek van het hotel, pas nu er geen anderen om me heen staan durf ik echt goed rond te kijken. In vier kasten met glazen schuifdeuren is de imposante collectie uitgestald. Honderden schrijvers die hier de afgelopen decennia zijn verbleven, hebben een of meerdere titels van zichzelf gesigneerd. Eco, Franzen, Grass, Morrison, Naipaul, Rushdie, Saramago. Literaire geschiedenis verzameld op de vierkante meter. Ik staar naar de titels van hun boeken, de rimpelloze ruggen.

Dan schrik ik op: mijn telefoon. Een middelbareschoolvriend vraagt of hij dit weekend kan langskomen. Omdat hij een kind heeft, plant hij zulke dingen tegenwoordig. “Ik heb iets te vieren”, zegt hij, en eerder met schaamte dan trots vertelt hij dat hij een tweede bonus voor afgelopen jaar heeft ontvangen. 28.000 euro. “En mijn bedrijf zelf heeft nota bene verlies gemaakt. Gelukkig komt die deal met de Chinezen eraan. Eerlijk, ik wist helemaal niet dat er nog een eindejaarsbonus zou aankomen. Maar goed, zondagochtend dus? Leuk, zit jij nu trouwens in dat hotelletje? Ach, the perks of being a writer.”

28.000 euro? Ik ben niet jaloers, zolang ik maar af en toe deze sensatie blijf ervaren, opgetogen achter mijn toetsenbord

28.000. Het getal dreunt eventjes na in mijn hoofd. Dat is meer dan ik doorgaans in een jaar verdien. Ik rond het gesprek af, trek me terug op mijn kamer en begin vlug aan dit stukje. En terwijl ik typ en allerlei eerdere hotelervaringen komen bovendrijven, terwijl ik in gedachten afdaal in kamers zo luxe dat ik me er misplaatst voelde, bekruipt een gedachte me. Of misschien is het eerder een beslissing die ik op dat moment neem: ik ben niet jaloers, een eindejaarsbonus hoef ik niet, voor deals met Chinezen hoeven ze mij niet te bellen, zolang ik maar af en toe deze sensatie blijf ervaren, opgetogen achter mijn toetsenbord, in een omgeving die ik amper ken en uit mezelf niet gauw zou opzoeken, onderdeel van een wereld waar ik tegelijkertijd toeschouwer van blijf.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.